Dit artikel verscheen in 1995 in het Nederlands Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde
Maharishi Ayurveda:
overzicht van het wetenschappelijk onderzoek tot
op heden
door GJC Gerritsma, arts
Inleiding
Ayurveda is een gezondheidszorg-systeem, dat zijn wortels
heeft in het klassieke India. De oudste schriftelijke bronnen worden gedateerd
op ca. 100 v. Chr. De mondelinge traditie gaat nog verder terug: mogelijk
tot meer dan 3000 jaar v. Chr. Dat betekent dat Ayurveda het oudste nog bestaande
systeem van gezondheidszorg is. In India neemt het momenteel 70 % van de
gezondheidszorg voor zijn rekening. Reeds in de oudheid zijn er contacten
geweest tussen India en China, waarbij de Ayurveda tot in China doordrong
en daar een eigen ontwikkeling doormaakte. Ook in de geneeskunde van het
klassieke Griekenland zijn elementen van de Ayurvedische teksten terug te
vinden (Segaar, 1989).
In de loop der tijd raakte veel van de klinische en theoretische
kennis verloren, of in onbruik. Zodoende maakten de meeste beoefenaren slechts
fragmentarisch gebruik van de vele preventieve en curatieve maatregelen die
de klassieke teksten aanbevelen en werd de effectiviteit van de Ayurveda
beperkt (Sharma, R.K., 1976). Sinds de onafhankelijkheid van India is de
Ayurveda langzaam maar zeker bezig aan een come-back. Het wordt erkend en
aanbevolen door de Wereld Gezondheidsorganisatie. Dankzij de inspanningen
van vooraanstaande Ayurveda-experts en autoriteiten op het gebied van de
Vedische wetenschap, wordt de kennis van de verschillende aspecten van Ayurveda
sinds enige tijd bijeengebracht en gedoceerd. Deze geintegreerde benadering
heet Maharishi Ayurveda. Momenteel wordt de kennis van Maharishi Ayurveda
toegepast door honderden westerse artsen in hun eigen praktijk en zijn er
ruim vijftig Maharishi Ayurveda Gezondheidscentra in 20 landen, waaronder
het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, Japan, de Verenigde Staten, Duitsland,
Engeland, Denemarken, Zweden en Nederland. In Nederland is het Europese centrum
voor Maharishi Ayurveda gevestigd, waar nieuwe cursussen worden ontwikkeld
onder leiding van experts. De Nederlandse en Belgische artsen die werken
met Maharishi Ayurveda zijn georganiseerd in de Vereniging van Artsen voor
Maharishi Ayurveda (VAMA). Zoals dit artikel laat zien, is er veel belangstelling
voor wetenschappelijk onderzoek naar Maharishi Ayurveda. In totaal zijn er
20 benaderingswijzen bekend. Wij zullen ons in dit artikel beperken tot die
therapieen waarnaar wetenschappelijk onderzoek is gedaan. Dit wordt als volgt
besproken:
1) Een beschouwing over de aard van gezondheid en ziekte en
een introductie in de basisconcepten van de Ayurvedische anatomie en fysiologie
2) onderzoek naar de basisconcepten
3) fytotherapie
4) fysiologische reinigingsbehandelingen (panchakarma)
5) regenererende en verjongende toebereidingen (rasayana's)
6) dieet
7) muziektherapie (Gandharva-veda),
8) de Transcendente Meditatie-techniek en tot slot onderzoek
naar
9) kostenreductie in de gezondheidszorg.
Wat is gezondheid?
In de klassieke Ayurvedische teksten wordt gezondheid beschreven
als een toestand van dynamisch evenwicht in de menselijke fysiologie en een
ervaring van geluk in de menselijke geest. (Sushruta Samhita, in Sharma 1993c).
Deze definitie weerspiegelt de opvatting in de westerse fysiologie dat gezondheid
samenhangt met een dynamisch evenwicht in de talloze homeostatische mechanismen
in het lichaam en neemt daarbij tevens de geestelijke gezondheid in aanmerking:
Net als de wereldgezondheidsorganisatie vat Maharishi Ayurveda gezondheid
niet slechts op als een toestand zonder ziekten of gebreken, maar als een
toestand van volledig welbevinden. In het quantummechanische wetenschapsmodel
wordt gezondheid ook gezien als een evenwichtstoestand in een levend, zelf-organiserend
systeem, waarin de diverse bouwstenen van het systeem gezien worden als onderling
verbonden en afhankelijk van elkaar. Deze bouwstenen kunnen atomen, molekulen,
cellen, organen of orgaansystemen zijn of het hele menselijke lichaam en
zelfs sociale- of ecologische systemen. Wanneer het subsysteem in evenwicht
is met de overkoepelende systemen, dan is het systeem "gezond", anders gezegd:
dan kan het zijn eigen integriteit handhaven. De subatomaire deeltjes zoals
electronen, of quarks, die beschouwd worden als de uiteindelijke bouwstenen
van de natuur zijn niets anders dan niet-materiele golven, die bewegen door
niet-materiele (niet-gelokaliseerde) velden. Deeltjes zijn slechts lokale
condensatie's van het veld; concentraties van energie die komen en gaan,
daarbij hun individuele karakter verliezend en in het onderliggende veld
oplossend. (Capra 1991 p. 210).
In het ontmoetingsproces tussen de westerse en de (ayur)vedische
wetenschap hebben experts van beide disciplines bijzondere overeenkomsten
gevonden tussen deze opvattingen in de moderne quantumfysica en de klassieke
ayurvedische teksten. De beschrijving van dit quantumveld is nagenoeg identiek
aan de beschrijving van transcendent (=onderliggend) bewustzijn in de vedische
wetenschap, waarin beide gezien worden als de onmanifeste, non-lokale grondtoestand
van de manifeste, gelokaliseerde expressie's van de natuur, die objectief
waarneembaar is als bijvoorbeeld elementaire deeltjes, subjectief als mentale
ervaringen. Het quantumveld in perfect evenwicht, de uitdrukkingen ervan
in dynamisch, fluctuerend evenwicht.
De vijf zintuigen zijn "kanalen" voor het bewustzijn, waarmee
de objectieve wereld mee wordt waargenomen. Ieder zintuig neemt een bepaald
spectrum waar van golven: de ogen bijvoorbeeld lichtfrequentie's, de oren
geluidsgolven. Deze frequentie's worden "omgezet" in een mentale ervaring.
Die 5 "frequentie's" die door de 5 zintuigen waargenomen worden, worden in
Ayurveda de 5 "mahabuta's" genoemd: aarde, water, vuur, lucht en ruimte.
In iedere menselijke ervaring (lichamelijk en geestelijk) zijn deze 5 elementen
terug te vinden. Als deze 5 elementen in evenwicht zijn, dan kan een goede
gezondheid gehandhaafd worden. Om het werken ermee te vereenvoudigen, zijn
deze 5 elementen teruggebracht tot de 3 "dosha's" vata, pitta en kapha. Aarde
en water samen vormen kapha. Vuur (plus wat water) geeft pitta en vata bestaat
uit lucht en ruimte.
Kapha is in het lichaam verantwoordelijk voor de opbouw en
de structuur van de organen en voor de waterhuishouding.
Pitta is het principe dat zorgt voor warmte en omzettingen:
de spijsvertering, stofwisseling en bijbehorende enzymen.
Vata is het principe dat zorgt voor beweging, bijvoorbeeld
van electrische impulsen in het zenuwstelsel, of van lucht in de luchtwegen,
van bloed in de bloedsomloop.
De dosha's komen altijd samen voor, maar vaak is een ervan
dominant. Mensen met meer vata bijvoorbeeld zijn lichter gebouwd en beweeglijker
dan een zwaargebouwd en langzaam kapha-persoon. Een pitta persoon produceert
zelf al tamelijk veel warmte en zal zich bij warm weer niet zo prettig voelen,
omdat hij of zij dan uit evenwicht raakt. Door een teveel of te weinig van
een dosha raakt de mens uit evenwicht. Dit evenwicht kan hersteld worden door
dieetmaatregelen, kruiden, gedrag en de andere diverse benaderingen van Maharishi
Ayurveda. Om uit te vinden welke dosha bij een patient domineert maakt men
gebruik van een intervieuw, lichamelijke kenmerken of de polsdiagnose.
Wetenschappelijke verificatie van de basisconcepten van
Maharishi Ayurveda
Om uit te vinden of met de anamnese en het lichamelijk onderzoek
volgens bovenbeschreven methoden consistente uitkomsten werden verkregen,
heeft Glaser (1991) 95 gezonde mannelijke studenten laten scoren door 2 onafhankelijke
onderzoekers. De ene onderzoeker stelde 17 standaard-vragen over de subjectieve
voorkeuren, cognitieve verwerkingsstijl, en gedrag. Een andere onderzoeker
mat 23 objectieve lichamelijke criteria, waaronder huidskleur en -type, kwaliteiten
van sclerae, tanden, gewrichten, venen, pezen, beharing en kwaliteiten van
de polsslag. Beide onderzoekers deelden de uitkomst van hun onderzoekingen
in in een van de drie basisconstitutietypen: vata, pitta, of kapha. De correlatie
tussen de subjectieve en objectieve uitkomsten werd berekend en was voor
de vata en kapha constitutie significant, voor de pitta constitutie niet
significant.
In een andere studie, werd bij 37 mensen, naast de contitutiescore
de Jenkins Activity Survey voor type A-gedrag afgenomen. Glaser (1988) vond
correlatie's tussen Type-A gedrag en pitta-constitutie (p<0,04), tussen
Type B-gedrag en kapha constitutie (p<0,04). Bij 110 mensen werd bloed
afgetapt en de analyses daarvan werden vergeleken met de constitutiescore.
Mensen met pitta-constitutie hadden een hoger hemoglobinegehalte (p<0,03)(Hemoglobine
is een aspect van pitta, het energie-gevende principe). Kapha mensen hadden
hoger gehalte aan witte bloedcellen (p<0,05). Het totaal eiwit en albumine
was hoger in de kapha- en pitta groep (p<0,01) en lager in de vata groep
(p<0,05). Mensen met een kapha constitutie hadden verhoogde waarden voor
bloedvetten (figuur 1). Dr. Schneider concludeerde dat deze bevindingen in
het algemeen consistent waren met de beschrijvingen van de klassieke Ayurveda
en dat diagnostiseren van constitutietypes van klinisch nut kan zijn bij
het inschatten van individuele neigingen tot bepaalde ziekten en respons
op therapie. (Schneider et al. 1985, in Glaser 1988)
Kruidenpreparaten
De arts voor Maharishi Ayurveda staan enkele honderden kruidenpreparaten
ter beschikking, die gericht zijn tegen bepaalde ziekten of verstoringen van
het evenwicht. Deze zijn in Nederland voor het eerst in gebruik genomen in
1987, bij verschillende bezoeken van dr. Balraj Maharshi aan ons land. Dr.
Balraj is een van de grootste authoriteiten op het gebied van de identificatie
en het gebruik van medicinale planten. Hij is Ayurveda-adviseur voor de deelstaat
Andhra Pradesh, India. In 1987 heeft hij onderwijs gegeven in de toepassing
van zijn kruidenpreparaten aan verschillende Europese artsen, aan de hand
van consulten aan patienten met diverse chronische ziekten. Tijdens dit project
is ook een klinische pilot-studie gedaan naar het effect van deze behandelingen.
Klinische voorstudie
De genoemde voorstudie werd in dit blad gepubliceerd door
de arts George Janssen in 1989. De kruidenpreparaten vormden een onderdeel
van de therapie. Verder bestond deze uit dieet en adviezen voor de dagindeling,
welke alle specifiek waren voor de betreffende ziekte, alsmede algemene maatregelen,
waaronder de transcendente meditatie techniek. Aan de hand van gestandaardiseerde
vragenlijsten werden per ziektebeeld de klachtenpatronen en eenvoudige objectieve
parameters vastgelegd. Van de 126 patiënten was na drie maanden 79% verbeterd.
Statistisch significant verbeterd waren reumatoïde arthritis, astma bronchiale,
eczeem, hypertensie, chronische obstipatie, hoofdpijn en chronische sinusitis,
terwijl de drie andere onderzochte ziekten, diabetes mellitus, psoriasis
en chronische bronchitis, verbeterden met een neiging tot significantie.
De bemoedigende resultaten van deze voorstudie waren grond voor verdere onderzoeken:
Reumatoide Arthritis
In een Duitse huisartsenpraktijk werden 106 patienten met
reumatoide arthritis, 5 met arthrose en 1 met polymyalgia reumatica behandeld.
Volgens de richtlijnen van dr. Balraj gebeurde dit met kruidenpreparaten,
dieet en adviezen voor levensritme. Aan deze 113 patienten werd een vragenlijst
gestuurd, waarvan 58 patienten (51%) deze ingevuld terugstuurden; 27 patienten
meldden een verbetering van de klachten van 50% of meer (5 daarvan 90-100%
effect); 18 patienten gaven 0% werking aan en 11 een verbetering van 10-30%.
De therapie-duur varieerde van 3 maanden tot 1 jaar. Het ging hierbij grotendeels
om chronische gevallen die alle al vele andere therapieen achter de rug hadden
(Ellmann 1989).
In Nederland is recent een dubbelblind placebogecontroleerd
onderzoek gedaan aan de Rijksuniversiteit Limburg naar de effectiviteit van
twee Maharishi Ayurveda kruidenpreparaten, een olie voor applicatie op de
aangedane gewrichten en een kruidenmengsel in een capsule. Het onderzoek
werd verricht bij 42 patienten met reumatoide arthritis. De dubbelblinde
fase werd gevolgd door een open fase, voor diegenen die dat wilden. De bevindingen
wijzen in de richting van een verbetering van de knijpkracht van de handen
en van het dagelijks functioneren bij die patienten die de behandeling nauwgezet
volgden. Er werden geen bijwerkingen geconstateerd anders dan een lichte
huiduitslag. Voor een volledige beschrijving van dit onderzoek zij verwezen
naar het artikel verder in dit blad. Net als bij de studie van Ellmann zijn
deze resultaten, hoewel niet statistisch significant, toch maatschappelijk
heel relevant en nodigen uit tot groter opgezette studies. Als slechts een
deel van de patienten gunstig reageert op de therapie, dan kan dit veel kosten
en ellende sparen.
Hepatitis B
In een dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek naar het
effect van een toebereiding van de plant Phyllantus Amarus bij 78 patienten
bleek dit effectief tegen het hepatitis B virus. Voor het begin van het onderzoek
werden de patienten 6 maanden gevolgd en alleen dan toegelaten, wanneer het
hepatitis B surface antigen (HBsAg) en HBc IgM gedurende meer dan 6 maanden
aanwezig was. De proefpersonen werden geinstrueerd om hun normale dieet en
leefritme aan te houden. Ze werden random ingedeeld bij de experimentele,
respectievelijk de placabo groep. Het preparaat was verpakt in een capsule,
net als het placebo (lactose). Er waren 18 patienten die het onderzoek niet
voltooiden, (3 experimentele en 15 placebo-patienten), zodat er 37 behandelde
patienten en 23 placebo-patienten overbleven. Van de experimentele groep
hadden 22 patienten na de eerste follow-up meting het HBsAg verloren, tegenover
1 van de 23 placebopatienten. Dit gegeven was statistisch zeer significant
(p<0,0001)(Thygarajan 1988).
Ouderdomsdiabetes mellitus
Diabetes Melitus type 2 berust veeleer op een verminderde
perifere gevoeligheid van celreceptoren voor insuline dan op een verminderde
aanmaak van insuline in de pancreas. Deze verminderde gevoeligheid kan mogelijk
berusten op afzetting van een overmaat aan onverteerde stofwisselingsproducten
("afvalstoffen") door een verstoring van de stofwisseling. In westerse termen
zouden deze afvalstoffen vergelijkbaar kunnen zijn met fructosamine, waarvan
wel wordt aangenomen dat het verantwoordelijk is voor de complicaties van
diabetes mellitus. De therapie bestaat uit een dieet, aanwijzingen voor de
dagindeling, zuiveringsbehandelingen, meditatietechnieken om het geestelijk
evenwicht te bevorderen en specifieke kruidenpreparaten. Uit het vooronderzoek
van Janssen (1989) bleek dat bij drie van de vier patiënten met niet-insulineafhandelijke
diabetes mellitus een verbetering van de glucosetolerantie of de dagcurve
optrad. Een van de kruidenpreparaten is onderwerp geweest van een dubbelblind
uitgevoerd, placebogecontroleerd onderzoek. In dit onderzoek werden 32 patienten
met niet-insulineafhandelijke diabetes mellitus (NIDDM) aselect ingedeeld
in een experimentele en een controlegroep. De experimentele groep kreeg MA-296
in capsulevorm, tweemaal daags, gedurende 3 maanden. Voor en na afloop van
de behandeling werd het serum-fructosaminegehalte, cholesterol, LDL-cholesterol
en de Zung-depressiescore bepaald. Bij statistische analyse werd bij geen
van de gemeten parameters een significant verschil gevonden tussen beide
groepen. Redenen hiervoor zouden kunnen zijn dat de capsule waarin het kruidenpreparaat
gegeven werd de werking verminderd heeft, dat het alleen werkt in combinatie
met een Ayurveda- dieet en reinigingsbehandeling, of dat de werking pas na
langere tijd intreedt (Gerritsma en Dankmeijer 1992).
Bij 49 patienten met niet insuline-afhankelijke diabetes van
het medical college in Lucknow, India werd een dubbelblind onderzoek uitgevoerd
naar antidiabetische en algemene effecten van het preparaat MA 471. Er was
geen placebo-groep. Van de patienten die de studie geheel konden voltooien,
te weten 41, hadden 19 patienten minder dan 5 jaar diabetes, 22 meer dan
5 jaar. Patienten met meer dan 20% overgewicht, ver voortgeschreden nefropathie,
retinopathie, manifeste infecties, hartinsufficientie, zwangerschap en ondervoeding
werden uitgesloten van deelname. Iedere twee weken werden de volgende parameters
gemeten: glucose nuchter, glucose postprandiaal, HBA1c, totaal cholesterol
in serum, triglyceriden, HDL, ureum, creatinine, leverfuncties, HB, en urine-analyse.
Deze gegevens werden gescoord naar de aanbeveling van de American Diabetes
Association als "good", "acceptable", "fair" of "poor" control. "Good control"
werd bereikt bij 22 patienten (53,6%), "acceptable" bij 7 (17%) "fair control"
bij 9 (21%) en bij 3 patienten "poor control". De schrijvers nemen "good"
en "acceptable" control als effectieve werking van het medicament. Samen
is dit bij 70,7% van de patienten het geval. Helaas werden van de voortest
geen scores vermeld, zodat de werking minder helder beoordeeld ken worden.
Algemene symptomen, die werden geevalueerd door een onafhankelijke onderzoeker,
vertoonden verbetering op de punten polyurie, vermoeidheid en algehele zwakheid
(Sircar 1992).
Angina Pectoris
Bij 30 patienten met stabiele angina pectoris werd gekeken
naar de werking van een toebereiding van de plant Terminalia Arjuna, die
beschreven staat in de klassieke teksten als een mogelijke remedie tegen hartziekten.
Patienten met stabiele angina pectoris of met een oud transmuraal infarct
met angina of met arhythmie en angina werden geselecteerde voor het onderzoek.
Patienten met een recent hartinfarct, onstabiele angina pectoris, hartklepgebreken
of cardiomyopathie werden uitgesloten van deelname. Alle allopathische cardiologische
medicamenten en pijnstillers werden stopgezet tijdens het onderzoek, met
uitzondering van nitrobaat sublinguaal. De patienten hielden een angina dagboek
bij en het lichaamsgewicht, bloeddruk en verscheidene biochemische parameters
en electrocardiogram werden gemeten na 1, 2 en 3 maanden. Na 3 maanden rapporteerden
de patienten minder aanvallen van angina pectoris per dag (van gemiddeld
3,47, tot 1,57 per dag, p<0,001). Ongeveer 10% van de proefpersonen had
geen nitrobaat meer nodig na 3 maanden. Bij de 36% patienten met overgewicht
viel een significante gewichtsreductie te constateren. De systolische bloeddruk
daalde significant (p<0,001), de diastolische bloeddruk veranderde niet
significant. Alle bloeddrukwaarden bleven overigens tijdens de hele studie
binnen de normale reikwijdte. Van de biochemische parameters daalde het plasma-catecholamine-niveau
significant, net als de bloed-glucose waarden. De vermindering van totaal
cholesterol en plasma-cortisol was niet significant (Dwivedi 1989). Aangezien
er geen controlegroep was bij dit onderzoek is een mogelijk placebo-effect
niet te onderscheiden van het mogelijke effect ven het preparaat. Terminalia
Arjuna is een van de ingredienten van de hart-preparaten die in Maharishi
Ayurveda worden gebruikt.
Asthma Bronchiale
Aan het Ayurvedic College van Kurukshetra, India, werd bij
30 patienten het kruidenpreparaat "Asthomap" getest. Ze werden ingedeeld
in een groep die geen behandeling kreeg, een experimentele groep die Asthomap
kreeg en een groep die de therapie kreeg volgens westerse geneeskundige methoden.
Alle patienten werd een standaard-dieet aanbevolen. Na 4 weken werden de
symptomen geevalueerd. Bij de experimentele groep werd in 90% van de gevallen
een verbetering van meer dan 75% in de symptomen vastgesteld, bij de controlegroep
zonder therapie 100% geen verandering in symptomen (Vats 1993). De behandelingsperiode
bij deze studie is te kort om het effect van het preparaat op lange duur
te kunnen vaststellen, in verband met het op en neer gaande beeld van asthma
bronchiale. Het geeft echter enige hoop, en nodigt uit tot groter opgezette
studies.
Panchakarma: fysiologische reinigingskuur
Een serie van fysiologische maatregelen die traditioneel aanbevolen
worden om geestelijke en lichamelijke gezondheid te bevorderen en veroudering
tegen te gaan, staat bekend als panchakarma (Sharma, PV 1981). Het doel van
panchakarma of fysiologische reiniging is het verwijderen van "stofwisselingsslakken".
De panchakarmabehandeling houdt in a) massage met warme, gekruide olien, b)
stoombaden, c) speciale technieken voor de toepassing van olie op het voorhoofd
en d) het balanceren van de functie van het maag-darmkanaal door reinigingsprocedures
en geindividualiseerde dieetadviezen. De behandelingen worden dagelijks ongeveer
twee uur gegeven gedurende een periode van een a twee weken. Er zijn een aantal
onderzoeken gedaan naar dit aspect van Maharishi Ayurveda:
Biologische leeftijd
De meeste westerse theorieen over veroudering gaan ervan uit
dat er in de loop van het leven slijtage optreedt in het lichaam, waardoor
inerte, abnormale stofwisselingsproducten in het lichaam worden opgehoopt
die het normale functioneren van de organen in toenemende mate blokkeren
(Finck, 1977). Om te verifieren of de panchakarma-behandelingen hierop effect
hebben, werd een pilot-onderzoek gedaan bij een groep van tien mensen van
26 tot 66 jaar, die deze behandelingen twee maal ondergingen met een tussenruimte
van tien maanden. Er werd gebruik gemaakt van een standaard test: de Morgan
Adult Growth Examination, die bestaat uit het meten van de systolische bloeddruk,
de gehoordrempel en de kortste afstand waarop men nog kranteletters kan lezen.
Deze maten hebben alle de neiging te stijgen met de leeftijd en door combinatie
van deze factoren kan een betrouwbare maat voor de biologische leeftijd worden
verkregen (Morgan 1972). Acht van de tien personen vertoonden een vermindering
in biologische leeftijd van één tot twaalf jaar. De gemiddelde daling in
biologische leeftijd van de hele groep was 4,8 jaar, hetgeen significant
verschilde van de toename in kalenderleeftijd tijdens het onderzoek (p =
0,0028) (Stryker 1985).
Om het effect te meten op algemene gezondheid en welzijn bij
mensen in een moderne Amerikaanse omgeving werd door Schneider (1990) een
standaard-test voor geestelijk welbevinden, de Profile of Mood States, afgenomen
bij 62 proefpersonen voor en na een panchakarmakuur. De controlegroep bestond
uit 72 personen, die alleen theoretisch onderwijs in Maharishi Ayur-Veda
volgden. De panchakarmagroep verbeterde significant op de volgende parameters:
angstgevoelens, depressiviteit, vermoeidheid, verwardheid en energie. De
verbetering voor boosheid was niet significant. In een tweede studie door
dezelfde onderzoeker werden 142 proefpersonen voor en na panchakarma vergeleken
met 60 controlepersonen, die theoretische kennis over Maharishi Ayurveda
volgden. Het meetinstrument was de Health Symptom Inventory Oorspronkelijk
is deze ontwikkeld om de door de patient zelf waargenomen effecten van de
behandelingen te evalueren; de vragen werden zodanig opgesteld dat de effecten
die de klassieke teksten vermelden gemeten konden worden. De panchakarmagroep
scoorde significant hoger voor welzijn, energie/vitaliteit, kracht/doorzettingsvermogen,
eetlust/spijsvertering, stemming/emoties, verbetering van vroegere klachten
en symptomen die wijzen op verjonging/ jeugdigheid. Het slaappatroon was
niet significant verbeterd (Schneider, R.H. 1990).
Risicofactoren voor hart- en vaatziekten
In een proefschrift aan de Universiteit van Freiburg werd
bloedonderzoek verricht voor, tijdens en na een panchakarmabehandeling. Bij
70 proefpersonen was het ureumgehalte, het belangrijkste uitscheidingsproduct
(slak) van de eiwitstofwisseling, na de panchakarmakuur gedaald van gemiddeld
23,9 mg/100 ml tot 20,4 mg/100 ml (p< 0,01). Ook het cholesterolgehalte
was gedaald van een verhoogde waarde van 203,5 mg/100 ml tot 179,5 mg/100
ml (p< 0,001). Het LDL-cholesterol was na de behandeling 8,7% gedaald
en de verhouding tussen LDL- en HDL-cholesterol was in gunstige zin verschoven
(17,5% gedaald). Bij mensen met een hoog-risicoprofiel was deze daling sterker:
43% bij de mannen en 35,8% bij de vrouwen. Uit deze gegevens kon een verlaging
van het risico op coronaire mortaliteit worden berekend van 17,4% (Waldschütz,
R. 1988).
Het effect van panchakarma (pk) op cardiovasculaire risicofactoren
is verder onderzocht door Sharma et al. (1993b), waarbij gekeken werd naar
het totale- en HDL cholesterol, de spiegel van lipide-peroxide in het plasma,
vasoactive intestinal peptide (VIP) als bekende vasodilatator, bloeddruk,
pols en "state anxiety". Voor het begin van de panchakarma-behandelingen
werden twee basismetingen genomen die ertoe dienden om iedere patient tot
zijn eigen controle te maken. De derde meting was na 3 dagen panchakarma,
de vierde 7 dagen na beeindiging van panchakarma en de vijfde en laatste
gemiddeld 2,9 maanden na einde van de panchakarma. Voor het testen van state
anxiety werd een aparte controlegroep gemeten, tijdens de eerste en vierde
meting. Alle 31 proefpersonen waren volwassenen, uit Fairfield, Iowa, USA.
De 15 mannen en 16 vrouwen waren en alle lange termijnbeoefenaars van de
transcendente meditatie-techniek.
De diastolische bloeddruk daalde significant van meting A
tot meting D, de systolosche bloeddruk veranderde niet significant. De polsfrequentie
daalde van meting A tot D significant (van gemiddeld 67,6 tot 64,3). Vergeleken
met de controlegroep werd een significante daling in state anxiety vastgesteld.
De waarden voor totaal cholesterol daalden niet significant met 2,8 % vanaf
de eerste tot de laatste meting. Van de eerste tot de voorlaatste meting
(een week na panchakarma-beeindiging) werd een significante daling gemeten,
van 6,6%. Het HDL-cholesterol veranderde niet significant tijdens panchakarma,
maar 2,9 maanden erna steeg het met 7,5% (p=0,015), hetgeen gunstig is, aangezien
HDL cholesterol een meer reinigende functie heeft. De waarden voor lipideperoxiden
stegen tijdens panchakarma met 14% vanaf meting A tot meting D (een week
na panchakarma) om daarna bij meting E (2,9 maanden na panchakarma) te dalen
met 15,7% tot een niveau 4,1% lager dan bij de eerste meting (niet significant).
De meetresultaten lieten verder zien dat de waarden van "vasoactive intestinal
peptide" tijdens de eerste vier metingen onveranderd bleven, maar 2,9 maanden
na de panchakarma met 80% stegen.
De schrijvers geven een heel interessante hypothese als verklaring
voor deze gegevens met als achtergrond de vrije radikalenstofwisseling: vrije
radicalen spelen een rol in het ontstaan van atherosclerose. Sommige vrije
radicalen-producerende toxinen (bijvoorbeeld polyaromatische hydrocarbonaten)
zijn vetoplosbaar en blijven lange tijd opgeslagen in de celmembraan. Wanneer
door panchakarma lipide peroxidatie wordt voorkomen en de schade van de al
geperoxideerde lipiden gerepareerd wordt, dan kan men verwachten dat de functies
van de celmembraan verbeteren en dat de enzymen die daar worden gemaakt beter
functioneren. Dit zou dan weer kunnen resulteren in een betere algemene gezondheid
en welzijn, zoals beschreven door onder andere Waldschutz (1988) en Schneider
(1990). De observatie van een verhoogd lipide-peroxide gehalte in bloedplasma
tijdens de panchakarma-behandelingen kan wijzen op een grondige verwijdering
van deze stoffen uit de celmembranen. Een verbeterde functie van celmembraan,
betere algemene celfunctie en lagere waarden van lipide-peroxiden op langere
duur zouden hieruit kunnen volgen. Dit is in overeenstemming met de bevindingen:
lagere lipide-peroxide spiegels en sterk verhoogde niveaus van vasoactive
intestinal peptide. Dit kan directe positieve effecten hebben voor cardiovasculaire
aandoeningen, aangezien VIP werkt als een coronaire vasodilatator. De gedaalde
diastolische bloeddruk is eveneens relevant hiervoor (ook al was deze bij
alle metingen niet pathologisch) aangezien cardiovasculaire risico's proportioneel
gerelateerd zijn aan bloeddruk, van de hoogste tot de laagste waarden. De
schrijvers stellen voor nadere studies te doen met proefpersonen met hypertensie.
Onderzoeken in vitro
Bij panchakarma wordt sesamolie veel gebruikt. Het wordt in
de klassieke teksten aanbevolen als de beste therapeutische olie tegen ziekte
en veroudering. Sesamolie bevat vele meervoudig onverzadigde vetzuren, waarvan
bekend is dat ze onder andere de proliferatie van maligne celculturen, alsook
die van diverse normale cellijnen kan remmen. Salerno en Smith hebben de
werking van sesamolie en linolzuur op celculturen van menselijke adenocarcinomen
en normale cellijnen van colon-epitheelcellen in vitro getest. Daarbij vonden
ze dat beide middelen de groei van adenocarcinoomcellen selectief meer remden
dan de groei van normale colon-epitheelcellen (Salerno, 1991). In een latere
studie werd de werking van meerdere olien op menselijke normale melanocyten
en op melanoomcelculturen getest. De olien die relatief meer linolzuur bevatten,
namelijk saffloerolie en sesamolie, vertoonden een selectieve remming van
melanoomcellen, boven normale melanocyten. Cocosolie, olijfolie en een minerale
olie (petroleumderivaat) werkten alle remmend, maar niet selectief (Smith,
1992). De schrijvers concluderen dat plantaardige olien die in hun geheel
gebruikt worden van klinische betekenis kunnen zijn en economischer en huidvriendelijker
in toepassing dan puur (geisoleerd) linolzuur. Volgens de schrijvers kunnen
echter ook andere factoren een rol spelen, zoals sesamine en sesamoline.
Deze bestanddelen van sesamolie zijn krachtige antioxidanten en dragen ertoe
bij dat het zeer resistent is tegen auto-oxidatie. Sesamol is de krachtigste
antioxidant in sesamolie, aldus dr. Kodama uit Japan. Wanneer men de olie
enige minuten kookt, zoals de klassieke teksten aanbevelen, dan stijgt het
aandeel van antioxidanten, met name dat van sesamol (Kodama 1992). Hij suggereert
dat het verjongende effect van panchakarma tenminste ten dele verklaard zou
kunnen worden door de antioxidatieve effecten van sesamolie.
Geestelijke gezondheid
De geestelijke gezondheid verbetert na een panchakarmakuur,
zoals is gemeten met verschillende psychologische standaardtests. Met de Freiburger
Persönlichkeits Inventar bleken 106 proefpersonen gemiddeld een significante
verandering te vertonen in de zin van minder geremdheid, minder prikkelbaarheid,
minder spanning, minder agressiviteit, minder lichamelijke klachten en spanning,
meer extraversie, meer competitiezin en meer emotionele stabiliteit (Waldschutz,
1988).
Bij studenten verbeterden in een aselect opgezet onderzoek
naar zes verschillende intelligentie- en geheugen-standaardtests de intelligentie,
het korte- en lange- termijngeheugen en de subjectieve alertheid significant
na een panchakarmakuur (Chandler 1987).
Rasayana's- kruidenrecepten voor goede algemene gezondheid
en verjonging
Maharishi Ayur-Veda adviseert om na een panchakarmabehandeling,
wanneer de slakken uit het lichaam verwijderd zijn en de lichaamskanalen
schoon zijn, de opgedane frisheid en jeugdigheid te ondersteunen en te verdiepen,
door middel van rasayana's, middelen die sinds duizenden jaren bekend staan
als "verjongingsmiddelen". In de oude teksten staat dat zij zorgen voor een
lange levensduur, een goed geheugen, intelligentie, vrijheid van kwalen,
jeugdigheid, optimale geestelijke vermogens en goede opbouw van de lichaamsweefsels
(Sharma, P.V., 1983, p. 4). Eén daarvan is de laatste jaren onderzocht aan
verschillende Amerikaanse universiteiten; het staat op de lijst te onderzoeken
stoffen van het National Cancer Institute en onderzoek ernaar wordt o.a.
gesubsidieerd door the National Institutes of Health. Dit preparaat wordt
Maharishi Amrit Kalash genoemd; het is een voedingssupplement dat bestaat
uit een kruiden/vruchtenpasta (MA4) en een kruidentablet (MA5). De biochemische
analyse laat zien dat beide preparaten vele antioxidanten bevatten, waaronder
vitamine A, C, E, bioflavonoiden, beta-caroteen, etc. De meeste studies spitsen
zich toe op de antioxidant werking van Amrit Kalash. Daarom eerst een kort
intermezzo hierover.
Vrije radicalen
Vrije radicalen zijn moleculen of atomen met een ongepaarde
en daardoor instabiele electronenconfiguratie. Daardoor ontstaat een hoge
reactiviteit met de omringende moleculen, met name bij zuurstofradikalen,
en in mindere mate bij daarvan afgeleide vrije radicalen (reactive oxygen
species, ROS). Ze worden bij de normale aerobe stofwisseling gevormd en zijn
nodig bij vele biochemische reacties. Leucocyten bijvoorbeeld gebruiken vrije
radicalen om bacterien en lichaamsvreemde cellen onschadelijk te maken. Door
de hoge reactiviteit ontstaat op vele manieren schade aan cellen. De mens
is daarom uitgerust met verdedigingsmechanismen tegen vrije radicalen: a)
lichaamseigen enzymen, bijvoorbeeld superoxide dismutase (SOD), b) voedingsstoffen,
waaronder vitamine A. C, E, B2, polyfenolen, carotenoiden etc. en c) herstelmechanismen:
bijvoorbeeld enzymgroepen die fouten in de opbouw van het DNA kunnen herkennen,
uitsnijden en de normale opbouw weer kunnen herstellen. Bij evenwicht tussen
schade en herstel ontstaan hierdoor geen gezondheidsproblemen. Wanneer de
schade de overhand neemt kunnen er echter vele soorten kwalen ontstaan. Ziekten
die met vrije radicalen in verband worden gebracht zijn: atherosclerose,
kanker, reumatiode arthritis, jicht, lupus erythematodes, zweren, zonnebrand
en eveneens het 'normale' verouderingsproces. Factoren die de vrije radicalenvorming
bevorderen zijn stress (verhoogt de stofwisseling), chronische ontstekingen,
milieuvervuiling, landbouwgiften, kunstmest, conserveringsmiddelen, kleurstoffen,
sigarettenrook, chemotherapie en alle soorten van electromagnetische straling,
waaronder zonlicht. Het effect van Maharishi Amrit Kalash op vrije radicalen
is nader onderzocht in diverse wetenschappelijke studies.
Inperking van vrije radikalen
Lipideperoxyde
Lipideperoxyden worden volgens de nieuwste theorieën verantwoordelijk
gesteld voor de eerste beschadiging van de vaatwand bij atherosclerose. Zij
ontstaan doordat vrije radicalen zich binden aan lipiden. Bij vijf mensen
met een verhoogd gehalte aan lipideperoxyde deed Maharishi Amrit Kalash dit
gehalte dalen van gemiddeld 7,9 nmol/ml tot een stabiel gehalte van 4,6 nmol/ml
(Niwa 1989b).
Dwivedi et al. (1991) onderzochten het effect van MA 4 en
MA 5 op lipide peroxidatie door microsomen van levercellen van de rat. Een
waterige oplossing met 10% MA 4 bleek NADPH-geinduceerde lipide peroxidatie
met ongeveer 50% te verminderen (p<0,05).
Het lichaam wordt beschermd tegen vrije radicalen door enzymen,
o.a. superoxyde dismutase (SOD) dat in staat is vrije radicalen weg te vangen
en onschadelijk te maken. SOD is niet werkzaam per os, omdat het in de maag
wordt afgebroken. Maharishi Amrit Kalash (MAK) heeft een SOD-inducerend effect:
leucocyten gingen 200% meer SOD maken in aanwezigheid van MAK (Niwa 1989b).
Bovendien vermindert het de vorming van vrije radicalen. Maharishi Amrit
Kalash heeft een sterker effect op het wegvangen van vrije radicalen dan
andere anti-oxydanten als alpha-tocoferol (vitamine E), vrij SOD, catalase
en ascorbinezuur (vitamine C), zo blijkt uit een in vitro onderzoek van Dr.
Niwa in Japan (Niwa 1989c).
Ook uit onderzoek van dr. Sharma (1992) bleek een krachtige
antioxidatieve werking. Hij deed een kwantitatieve vergelijking tussen verschillende
bekende antioxidanten: vitamine C, E, probucol (een goed gedocumenteerd geneesmiddel)
en MA 4 en -5. Bovendien werden 2 andere kruidenpreparaten getest: MA 631
en MA koffiesurrogaat. Er werd getest in hoeverre de oxidatie van low density
lipoprotein (LDL) geremd kon worden. LDL is vrij gevoelig voor oxidatie,
en in geoxideerde vorm speelt het een grote rol bij het ontstaan van atherosclerose
(zie onder). De oxidatie van LDL werd ingeleid door toevoeging van koper-ionen
en de te testen stoffen werden op verschillende tijdstippen daarna toegevoegd.
Alle geteste stoffen lieten een concentratie-afhankelijke remming van de
LDL-oxidatie zien. De MA-preparaten waren echter tot maximaal 1000x meer
effectief dan vitamine C, E en probucol (p<0,0001) (Sharma et al. 1992).
De reden hiervoor kan zijn dat wanneer antioxidanten opgenomen worden in de
biologische context van de gehele plant de biologische beschikbaarheid en
werkzaamheid groter is dan wanneer men een geisoleerde stof tegen vrije radicalen
inneemt, mogelijk door het synergetische effect van het middel uit de hele
plant.
Immuunsysteem
Tijdens een ontstekingsreactie produceren de witte bloedcellen
vele vrije radicalen, om bacterien, afgestorven cellen etc., op te ruimen.
Daarbij lekken vele vrije radicalen weg naar de omringende weefsels, waardoor
nevenschade wordt aangericht. Beschadigde cellen trekken meer neutrofiele
granulocyten aan (chemotaxis), die de schade snel erger maken. Dr. Yuki Niwa,
expert op het gebied van het vrije-radikalenonderzoek, onderzocht het effect
van MA 4 en MA 5 op chemotaxis, fagocytose en de productie van reactive oxygen
species (ROS) in vitro (Niwa, 1991). De chemotaxis van neutrofiele granulocyten
verminderde significant, net als de blastogenese (vorming van een aggressief
soort van lymfocyten). De productie van O2`, H2O2 en OH` was aanmerkelijk
verminderd. Dit laatste wordt gezien als de oorzaak van de verminderde chemotaxis.
Ook Dr. Fields (et al. 1990a) van de Universiteit van Loyola in de V.S. deed
een vergelijkbaar onderzoek. Hij vond in een studie waarbij neutrofiele granulocyten
in vitro gestimuleerd werden om superoxide te produceren dat MA4 en MA5 elk
afzonderlijk even effectief waren als SOD bij het wegvangen van vrije radicalen.
(Dat dit niet het gevolg was van beschadiging van de granulocyten bleek uit
een experiment van Tomlinson (1991): de granulocyten functioneerden nog steeds
normaal).
Ook een andere krachtige oxydant: hypochloorzuur, dat verantwoordelijk
zou zijn voor de weefselschade bij verschillende ziekten waaronder atherosclerose,
werd weggevangen onder invloed van Maharishi Amrit Kalash.
Hij vond tevens dat MA4 en MA5 als voedingssupplement de levensduur
significant verlengden bij muizen (20% langer) en bij fruitvliegjes (meer
dan 100% langer), vergeleken met controlegroepen op een standaarddieet.
In een dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek naar het
effect van MA 5 op hooikoorts, bleek gedurende de 4 weken in het topseizoen
voor hooikoorts waarin het onderzoek liep, de groep die MA 5 tot zich nam
significant minder allergische symptomen te rapporteren, dan de groep die
het placebo kreeg (Glaser 1991).
In een studie waarin ratten MA 5 gevoerd kregen bleek een
werking op de lymfocytenproliferatie. Na stimulatie met ovalbumine als antigeen
vertoonden ratten die MA 5 aten 32 tot 88% meer respons van de lymfocyten.
Wanneer niet gestimuleerd werd, was de lymfocyten-proliferatie normaal. De
verhoogde respons ontstond na minimaal 10 dagen MA in het dieet en bleef
tot 15 dagen na verwijdering uit het dieet bestaan (Dileepan 1990).
Terwijl de collaterale schade bij ontstekings reacties vermindert
wordt en een overreagerend immuunsysteem getempert wordt, blijft door Amrit
Kalash het immuunsysteem dus waakzaam en paraat als het echt nodig is.
Kanker
Vrije radicalen kunnen leiden tot beschadiging van het DNA,
wat in sommige gevallen kanker tot gevolg heeft (Niwa 1989a). Aan de universiteit
van South Dakota en Ohio is onderzoek gedaan met behulp van een experimenteel
standaardmodel om middelen tegen kanker te testen. Hierbij worden ratten
behandeld met 7,12-dimethylbenzanthraceen, waardoor zich bij 60% van de ratten
een mammacarcinoom ontwikkelt. MA4 in het voer tijdens de initiatiefase,
waarin de mutatie tot kankercel plaatsvindt, voorkwam bij een groep ratten
in meer dan de helft van de gevallen de mutatie (tumorincidentie 23% i.p.v.
60%, een verschil van 60%, p<0,05). Het had nog meer effect bij een groep
die het middel alleen in de tweede fase kreeg toegediend, de promotiefase,
waarin de tumor groeit (tumorincidentie 7%, i.p.v. 95%, een verschil van
88%, p<0,05) (Sharma 1990). Bij de dieren die het voedingssupplement hadden
gekregen was ook het aantal tumoren significant kleiner (resp. 69% en 85%
minder tumoren). Daarna werd aan de dieren uit de controlegroep, die kanker
ontwikkeld hadden, alsnog vier tot vijf weken Maharishi Amrit Kalash gegeven.
In 60% van de gevallen werd de tumor kleiner en bij de helft daarvan verdween
hij geheel. Histopathologisch onderzoek gaf aan dat de tumorregressie veroorzaakt
werd door een differentiatie naar een benigne morfologie en fibrose. De andere
organen vertoonden een normaal beeld. Een vergelijkbaar resultaat werd verkregen
met MA5 en met een combinatie van MA4 en MA5. Bij een ander proefdiermodel
voor agressief metastaserend longcarcinoom was er een significante reductie
van 60% in zowel aantal als grootte van de metastasen met MA4 (Patel 1990).
Het bijzondere is dat de tumoren kleiner werden dan wel verdwenen
zonder het schadelijke effect op de gezonde weefsels, dat bij de gebruikelijke
chemotherapie optreedt. Maharishi Amrit Kalash heeft een ander werkingsmechanisme,
zoals werd bevestigd door Dr. Prasad van de Universiteit van Colorado bij
de bestudering van weefselkweken van neuroblastomen. Het bleek dat MA5 de
tumorcellen niet doodde, maar dat zij uitrijpten, normale morfologische kenmerken
gingen vertonen, en dat de groei geremd werd (figuur 2, Prasad 1992). De
kankercellen hadden hun normale 'geheugen' teruggekregen. Als deze gegevens
bevestigd worden, betekent dit een fundamentele doorbraak in de kankertherapie.
Het middel wordt goed verdragen en bij standaardbloedonderzoek bleek geen
toxisch effect op leverenzymen of haematologische parameters (Sharma 1991c).
Bestrijding van cardiovasculaire risicofactoren
Vrije radikalen en atherosclerose
Het begin van atherosclerose is een beschadiging van de arteriewand.
De lipiden in het endotheel worden aangevallen door vrije radicalen en zuurstof.
Door de kettingreactie die hierdoor ontstaat, worden de celmembranen ontbonden.
Celbeschadiging trekt neutrofiele granulocyten en macrofagen aan, die op
hun beurt weer vrije radicalen en verterende enzymen loslaten, die de schade
verder verhogen. Wanneer LDL aan deze plaats voorbijstroomt, wordt het gemakkelijk
geoxideerd en verandert zelf in een reactive oxigen species (ROS): LDL-ox.
LDL-ox wordt niet meer herkend door de celreceptoren en begint zich op te
stapelen tussen de beschadigde cellen in de arteriewand. Wanneer macrofagen
LDL-ox proberen op te ruimen, kunnen ze zo vol komen te zitten, dat inerte
schuimcellen ontstaan, die zich eveneens afzetten in de arteriewand. En hierdoor
ontstaan de eerste vetafzettingen (sclerosen). Bij een verwonding van de
vaatwand klonteren normaal gesproken bloedplaatjes samen om de bloedstroom
te stoppen. Wanneer bloedplaatjes te sterk neigen tot klontering, dan kunnen
snel bloedproppen ontstaan die de bloedvaten zelf blokkeren. Een te sterke
neiging tot klontering ontstaat door een ander vrije-radikalen-mechanisme:
geradikaliseerde lipiden en het hydroxyradikaal inaktiveren prostacycline,
dat de plaatjes-aggregatie normaalgesproken tegenwerkt, zodat bloedplaatjes
ongeremd kunnen klonteren (Sharma, 1993c). Plaatjesaggregatie kan een hartaanval
of beroerte uitlokken door afsluiting, of door een spasme in coronaire of
cerebrale vaten te veroorzaken. Bloedplaatjes kunnen o.a. geactiveerd worden
door
- arachidonzuur dat vrijkomt uit de celmembraan van de thrombocyten,
- ADP dat vrijkomt uit bloedcellen of beschadigde vaatwandcellen,
- adrenaline dat ontstaat bij een emotionele uitbarsting en
stress en
- collageen waarmee bloedplaatjes in contact komen bij beschadiging
van een bloedvat.
Tijdens in vitro-onderzoek met menselijk plasma vond Prof.
Sharma, dat Maharishi Amrit Kalash (MA5) de enige stof is die de plaatjesaggregatie
remt door inhibitie van elk van deze vier activatoren (Sharma 1989). Dit
kan van voordeel zijn voor de preventie van infarcten.
Extra cholesterol in het dieet verhoogt het cholesterolgehalte,
het lipideperoxydegehalte en ook de plaatjesaggregatie door ADP en collageen,
zoals gevonden bij konijnen. Wanneer echter daarnaast MA4 werd gegeven bleek
deze plaatjesaggregatie significant lager te zijn (Panganamala 1991). Wanneer
MA4 en MA5 in belangrijke hoeveelheden werden toegevoegd aan genoemd dieet
steeg het cholesterolgehalte niet en bleef ook het gehalte lipideperoxyde
in plasma en in de lever significant lager (Panganamala 1991). Lee (1993)
deed een vergelijkbare studie bij konijnen die MA4 gevoerd kregen plus MA208.
MA 208 is een Ayurvedisch preparaat dat bij overgewicht geindiceerd is. De
LDL en VLDL-spiegels, de lipid-peroxidatie index (dat is de verhouding van
het lipidperoxide tot het totaal cholesterol) en de spiegels van creatinekinase,
lactaatdehydrogenase en hun iso-enzymen (als maat voor celbeschadiging door
vrije radikalen) waren in de testgroep significant lager dan in de controlegroep.
Verminderde chemische toxiciteit
De toxiciteit van vele chemicalien is gerelateerd aan vrije
radikalen-productie. Bij adriamicine wordt deze eigenschap benut om snel
delende kankercellen te kunnen vernietigen. Maar ook gezonde cellen worden
beschadigd, met name in het hart, vanwege de hoge stofwisseling daar. De
capaciteit van MA 4 en MA5 om de vrije-radikalenproduktie door adriamicine
te verminderen werd in het laboratorium getest door Engineer et al. (1992).
Microsomen uit rattelevercellen werden geincubeerd met NADPH, om de lipid
peroxidatie te bevorderen, met of zonder adriamicine. Wanneer adriamicine
werd toegevoegd, werd de vrije radicalenproductie met 50% verhoogd. Het alcohol-extract
van MA 4 zowel als van MA5 was zo effectief dat de lipide-peroxidatie tot
bijna nul werd geremd. De waterige oplossing van MA 5 echter, vertoonde in
deze test geen antiperoxidatie-eigenschappen. In een test met muizen die
adriamicine toegediend kregen, kon MA 5 de mortaliteit tot 1/3 terugbrengen,
en MA 4 tot 2/3 (Engineer 1992).
Bondy (1993) vond dat MA 5 zowel in vitro als in vivo de productie
van vrije radikalen door tolueen significant kon remmen.
Geestelijk functioneren
Vermindering van depressie
In een pilot study bleek bij 11 patienten met een depressie
dat door gebruik van Maharishi Amrit Kalash de gemiddelde depressiescore
op de Beck Depression Inventory daalde van 6,5 tot 2,9 (Sharma 1990d).
Verbetering van visueel onderscheidingsvermogen
De Nederlander Dr. Paul Gelderloos publiceerde in 1990 een
wetenschappelijk onderzoek naar de invloed van MA 5 op een test voor visueel
onderscheidingsvermogen. De test bestaat uit het gedurende 1/3 seconde aan
proefpersonen presenteren van een verlicht vlak vol kruisjes (de letter x),
waartussen een letter v staat. De proefpersonen moeten op een overeenkomstig
vel aangeven waar de v staat. Het is bekend dat het vermogen om de aandacht
voortdurend gericht te houden op een breed veld en tegelijkertijd alles scherp
te kunnen waarnemen met de leeftijd achteruit gaat, vooral als er ruis-elementen
aanwezig zijn, zoals in deze test. De test is niet alleen een maat voor het
visuele onderscheidingsvermogen, maar ook voor de werking van het centrale
zenuwstelsel in het algemeen. Een vereiste ervoor is dat de proefpersoon
een stabiel, rustig innerlijk bewustzijn handhaaft met een voortdurende,
onbelemmerde stroom van uitwaartse aandacht zodat het hele gezichtsveld wordt
overzien. Tegelijkertijd moet hij zich kunnen concentreren op fijne details.
Dit vereist samenwerking tussen veel verschillende gebieden van de hersenen
omdat Maharishi Amrit Kalash de score op deze test duidelijk verbeterde,
kan geconcludeerd worden dat het een belangrijke en gunstige werking heeft
op het functioneren van het centrale zenuwstelsel. Omdat de score op deze
test samenhangt met de leeftijd, suggereert dit tevens dat de achteruitgang
die gepaard gaat met ouder worden erdoor kan worden afgeremd.
Het dubbelblinde onderzoek werd uitgevoerd bij mannen ouder
dan 35 jaar (gemiddelde leeftijd 39), waarvan er aselect 22 Maharishi Amrit
Kalash (MA5) gebruikten en 26 een placebo. De groepen waren vergelijkbaar
op alle relevante punten, zoals o.a. geslacht, leeftijd, oogafwijkingen en
opleiding. De score hing voorts duidelijk samen met de leeftijd. Het bleek
bij hertesten na drie en na zes weken dat gebruik van Maharishi Amrit Kalash
de prestaties significant verhoogde (Gelderloos et al. 1990). Deze resultaten
werden al na drie weken bereikt en waren na zes weken verder verbeterd.
Orgaanspecifieke werking
Er zijn verschilende rasayana's in Ayurveda, ook ter bevordering
van de functie van specifieke organen of orgaansystemen. Een daarvan, de studentenrasayana
(SR) verhoogde in een recente studie de intelligentie bij kinderen (in press,
Personality & Individual Differences). Dat was voor Hanna (1993) reden
om de hypothese te testen dat SR de hersenen beschermt tegen vrije radikalenschade.
In vitro vertoonde SR een concentratie-afhankelijke remming van lipide-peroxidatie.
Bij ratten, waarbij door tolueen de lipide-peroxidatie werd geinduceerd,
vertoonde de SR eigenschappen van selectieve remming van lipide-peroxidatie
in de hersenen en niet in andere organen. Deze selectiviteit komt mogelijk
door een hogere affiniteit van de SR voor hersenweefsel. Deze gegevens zouden
de gemeten verhoogde intelligentie bij kinderen door de studentenrasayana
kunnen verklaren.
Dieet
Dieet-maatregelen zijn een belangrijk aspect van de therapie
en preventie in de Maharishi Ayurveda. De belangrijkste leefregels dienen
om de kracht van de spijsvertering op peil te houden, zodat geen onverteerde
reststoffen in het lichaam achterblijven. Daarnaast zijn er speciale aanbevelingen
voor de verschillende constitutietypen.
Een voorbeeld van een dieetregel om de spijsverteringskracht
op peil te houden is voldoende tijd laten tussen de maaltijden om het eten
te laten verteren. In een vergelijkend onderzoek tussen Fransen en Amerikanen
bleek dat de Fransen voor 14.00 uur al 60% van de dagelijkse hoeveelheid
calorieen tot zich genomen hadden, tegenover 40% voor de Amerikanen. De Fransen
wachtten gemiddeld 5 uur tot de volgende maaltijd en waren aktief, terwijl
de Amerikanen inactief waren en gemiddeld slechts 3 uur wachtten met eten.
De studie geeft aan dat dit verschil in leefgewoonten een mogelijke verklaring
kan zijn voor het feit dat bij Fransen minder hart- en vaatziekten voorkomt
(Consumer Reports on Health 1994).
Een artikel verschenen in de Lancet beschrijft een prospectief,
gerandomiseerd onderzoek naar het effect van verandering van leefgewoonten
op veranderingen in een coronaire stenose na 1 jaar. Achtentwintig patienten
werden ingedeeld bij de experimentele groep en 20 bij een controlegroep.
Beide kregen de gebruikelijke medische zorg. De experimentele groep volgde
een vetarm vegetarisch dieet, stopte met roken, deed aan stress-management
en gematigde lichaamsbeweging, hetgeen aardig overeenkomt met de Ayurvedische
adviezen voor leefgewoonten en dieet. De gemiddelde diameter van de stenose
werd in de experimentele groep kleiner: van 40,0% tot 37,8%, terwijl in de
controlegroep een vergroting werd vastgesteld van 42,7 tot 46,1%. Wanneer
alleen laesies groter dan 50% geanalyseerd werden, dan werden die in de experimentele
groep gemiddeld van 61,1% tot 55,8% kleiner; bij de controlegroep groeiden
de laesies van 61,7 tot 64,4% gemiddeld. In de experimentele groep had 82%
van de patienten een verandering in de richting van regressie. De conclusie
was dat uitgebreide leefgewoonteverandering een regressie van zelfs ernstige
coronaire atherosclerose met zich mee kan brengen, al na 1 jaar, zonder het
gebruik van lipide-verlagende medicamenten (Ornish 1990).
Nu zijn deze 2 studie's niet specifiek opgezet voor Maharishi
Ayurveda, maar vanwege de grote overeenkomsten in de te meten leefregels
zijn ze toch in dit artikel opgenomen.
Muziektherapie
Gandharva-veda is het aspect van de vedische literatuur dat
over muziek handelt. Deze muziek roept in de luisteraar die ervoor openstaat
een prettig gevoel wakker van blijdschap en innerlijk evenwicht. Er bestaan
verschillende melodieen voor verschillende constituties en voor verschillende
tijden van de dag. Ook de objectieve uitwerking van deze muziek is onderzocht:
bij EEG-opnamen gemaakt tijdens het luisteren naar gandharvaveda-muziek vond
men een toename van de theta-frequentie's (4-8 Hz), overeenkomend met de
subjectieve ervaring van meer innerlijke rust (Rasmussen et al 1990).
Een ander aspect van de Maharishi Ayurveda is de "primordial
sound-" of oerklank-therapie: recitaties van de Samaveda, die bedoeld zijn
om evenwicht in de fysiologie te herstellen. Stephens (1992) vergeleek het
effect van hard rock (AC/DC, Back in Black, BiB), van Samaveda en van stilte
op de groei van vijf tumorcellijnen en een normale cellijn. Primordial sound
verminderde de groei van alle cellijnen (p<0,001) en in de aanwezigheid
van hardrockmuziek verhoogde de groei in het algemeen (p<0,01). De conclusie
was dat geluid een effect heeft op de groei van zowel normale als neoplastische
cellen.
Wetenschappelijk Onderzoek naar de Transcendente Meditatie-techniek
Introductie
De overeenkomsten tussen de moderne quantumfysica en de klassieke
ayurvedische teksten, die in de introductie werden genoemd, zijn eveneens
terug te vinden op het gebied van mentale processen en bewustzijn. Maharishi
Ayurveda ziet bewustzijn in zijn minst geexciteerde vorm als gelijk aan het
onderliggende (=transcendente) quantumveld uit de natuurkunde. Het is de
basis van het evenwicht dat "gezondheid" genoemd wordt.
Testbare hypothesen
Van dit gezondheidsmodel zijn een aantal testbare hypothesen
af te leiden:
1) Ervaringen van geluk of transcendentie zijn te relateren
aan meetbare psychofysiologische veranderingen.
2) Door deze ervaringen wordt de evenwichtstoestand van het
quantumveld weerspiegeld in lichaam en geest, hetgeen een betere gezondheid
met zich meebrengt.
In het nu volgende deel zullen we deze hypothesen testen aan
het bestaande wetenschappelijk onderzoek.
In de eerste plaats zullen we een wetenschappelijk verifieerbare
definitie moeten geven van het begrip "bewustzijn in zijn minst geexciteerde
vorm", of transcendent bewustzijn, dat in de oude tekten wordt omschreven
als een zijnstoestand met alertheid en gelukzaligheid. Een meditatietechniek
die deze toestand teweegbrengt is de uit de oude vedische traditie afkomstige
Transcendente Meditatietechniek (TM), die beschouwd wordt als de geestelijke
benaderingswijze van de Ayurveda. De techniek is eenvoudig te beoefenen:
twee maal 20 minuten per dag met gesloten ogen in een comfortabele houding.
De TM-techniek vereist geen concentratie, geen speciale lichaamshouding,
geen controle van de ademhaling of verandering van levenswijze of levensopvating.
Omdat de techniek op een gestandaardiseerde wijze wordt onderwezen leent
zij zich goed voor wetenschappelijk onderzoek, ook al omdat er voldoende
proefpersonen beschikbaar zijn: in Nederland zijn momenteel ongeveer 70.000
mensen in TM geinstrueerd, wereldwijd ongeveer 3 miljoen. De TM-techniek
is sinds 1958 in het westen geintroduceerd door Maharishi Mahesh Yogi, die
deze meditatie als volgt beschrijft:
"Wanneer de geest transcendeert tijdens Transcendente Meditatie,
bereikt het metabolisme zijn laagste punt, evenals het ademhalingsproces,
en het zenuwstelsel bereikt een toestand van alerte rust, die op het fysieke
niveau correspondeert met de toestand van gelukzaligheidsbewustzijn of transcendent
Zijn" (Maharishi 1963). Hierbij wordt "het zenuwstelsel op een systematische
wijze gereinigd, hetgeen leidt tot een steeds helderder ervaring van de vierde
bewustzijnstoestand (transcendent bewustzijn) en vandaar tot een vijfde toestand,
waarin zuiver bewustzijn gehandhaafd wordt samen met waken, dromen en slapen."
(Maharishi in Orme Johnson, 1977).
In deze citaten zijn diverse aanknopingspunten voor fysiologen:
Tijdens transcenderen bereiken het metabolisme en het ademhalingsproces het
laagste punt en komt het zenuwstelsel in een toestand van alerte rust. De
fysioloog Keith Wallace besloot dit verder uit te zoeken.
Lichamelijke rust
De eerste vraag die gesteld werd door onderzoekers was of
meditatie werkelijk een toestand teweeg kan brengen die fysiologisch verschillend
is van gewone rust.
In een studie met 20 proefpersonen, waarbij het zuurstofverbruik
en kooldioxide-uitscheiding werden gemeten, vond Wallace (Wallace et.al.1971)
een daling van het zuurstofverbruik van 40 cc/min, ofwel 16% lager, tijdens
de meditatie dan voor de meditatie (iedere proefpersoon was zijn eigen controle)(figuur
3). De kooldioxide-uitscheiding daalde met ongeveer 30 cc/min. terwijl het
respiratoire quotient (de verhouding van het volume uitgescheiden kooldioxide
tot het volume opgenomen zuurstof) onveranderd bleef. De ademfrequentie en
het ademminuutvolume daalden eveneens significant, zonder een significante
daling van de arteriele pO2 en pCO2. De arteriele pH daalde weinig, maar
significant, tot een milde metabole acidose. Deze studie toonde dus inderdaad
een toestand van rust, die anders is dan rusten met de ogen dicht. In zes
volgende onderzoeken werden de resultaten van deze eerste studie bevestigd.
Corey (1973) onderzocht 20 proefpersonen op zuurstofverbruik
tijdens de TM-techniek en vond een daling van 20% en een vermindering van
de luchtweerstand.
Dhanaraj en Singh (1973) vonden bij TM-mediterenden een daling
in zuurstofverbruik tijdens de meditatie van 15% terwijl een zich ontspannende
controlegroep geen significante verandering liet zien. Reddy (1976) toonde
een vergelijkbare daling van zuurstofverbruik en kooldioxide-uitscheiding
aan bij TM-proefpersonen in vergelijking met controlepersonen. Farrel (1979)
vond bij 19 TM-proefpersonen een significante daling in het zuurstofverbruik
zonder verandering van het respiratoire quotient.
Meer rust in vergelijking met andere technieken
Throll (1982) mat zuurstofverbruik, ademfrequentie, hartfrequentie,
systolische en diastolische bloeddruk bij 39 proefpersonen, die de TM-techniek
leerden en 21 proefpersonen die de Progressive Relaxatie volgens Jacobson
leerden. De proefpersonen werden zowel tijdens de beoefening van deze technieken
gemeten, als op een longitudinale basis: voor de instructie in de respectieve
technieken, direct erna en 5, 10, en 15 weken later. Bij de pretest waren
er geen significante verschillen tussen beide groepen. De daling in ademfrequentie,
zuurstofverbruik en totaal ademvolume was bij de TM-groep significant. Vergeleken
met de progressieve-relaxatiegroep toonde de TM-groep een significante daling
op de lange termijn in hartfrequentie, ademfrequentie en diastolische bloeddruk.
Gallois (1984) vergeleek 10 TM-mediterenden met 10 proefpersonen
die autogene training beoefenden en 10 controlepersonen. De TM-groep toonde
een aanmerkelijke daling in de ademfrequentie vergeleken met de andere groepen,
met daarbij het frequent optreden van respiratoire pauzes tot een maximum
van 50 seconden.
Garnier et al. (1984) vergeleken de longventilatie voor, tijdens
en na de TM-techniek met zich ontspannende controlepersonen. De zuurstofopname
per kilogram lichaamsgewicht was tijdens de meditatie 15,6% lager dan die
van de controlegroep. Deze waarde daalde verder met 8,5%, hetgeen betekent
dat de TM-proefpersonen waarden vertoonden beneden het voor hun berekende
basaalmetabolisme.
Bovengenoemde studieresultaten suggereren dat bij TM de veranderingen
in de ademhaling voortkomen uit een verminderde behoefte van de stofwisseling
aan zuurstof.
Meta-analyse: TM en gewone rust
In een meta-analyse hebben Dillbeck en Orme-Johnsson (1987)
31 studies geevalueerd en gekeken of er verschil was tussen TM en rust met
ogen dicht. Meta-analyse is een quantitatieve methode om het effect van een
groot aantal onderzoeken te evalueren en is een betere methode dan enkel
een samanvattende beschrijving, omdat gecorrigeerd kan worden voor de verschillen
in de onderzoeksopzet, en omdat de gegevens van een groot aantal proefpersonen
vergeleken kunnen worden. Bovendien is het objectief en herhaalbaar voor
andere onderzoekers. Hun conclusie was dat de TM-techniek een significant
hogere effect-grootte gaf dan rust met gesloten ogen, voor de volgende parameters:
huidweerstand, ademfrequentie en plasma-lactaatspiegel. Dit betekent stabieler
functioneren van het autonome zenuwstelsel (huidweerstand) en verminderde
metabole activiteit (ademfrequentie en plasma lactaatspiegel). Studies werden
opgenomen in de analyse wanneer ze fysiologische effecten van de TM-techniek
beschreven bij populatie's van normale volwassenen en studies werden uitgesloten
wanneer de populatie een interne of reclasseringsgroep was en wanneer de
experimentele interventie de normale beoefening van de TM-techniek beinvloedde
("confounding").
De auteurs concluderen dat de TM-techniek vermindering van
de lichamelijke "arousal" teweegbrengt in vergelijking met rusten met de
ogen dicht, maar dat dit niet het volledige effect ervan beschrijft: electrofysiologische
metingen wijzen op een gelijktijdige alertheid.
Methodologische overwegingen
-Verschillen van onderzoeksuitkomsten van metingen tijdens
de meditatie.
De uitkomsten van de eerste onderzoeken waren niet eenduidig:
het zuurstofverbruik bleek sterk te varieren, van persoon tot persoon en
van experiment tot experiment. Ook de hartfrequentie daalde niet altijd significant
meer dan bij rusten met de ogen dicht. De reden hiervoor is dat tijdens de
meditatie een mengeling van bewustzijnstoestanden optreedt. Wanneer geest
en lichaam tot rust komen tijdens de meditatie, dan lossen daardoor spanningen
op. Het proces van tot rust komen wordt beschreven als de "inwaartse gang"
van de meditatie, gedurende welke proefpersonen melding maken van de ervaring
van transcendent bewustzijn, totdat de geest meer actief wordt en de "uitwaartse
gang" van de meditatie inzet. De mate van helderheid van de ervaring van
transcendent bewustzijn varieert sterk, net als de duur en frequentie van
de in- en uitwaartse gang van de meditatie. Ook sufheid en zelfs slaap komen
voor (Pagano 1976), afhankelijk van de uitgangstoestand van het zenuwstelsel
van het individu en de dynamiek van de procedure. Wanneer de perioden van
ervaring van transcendent bewustzijn selectief bestudeerd werden, werden
veel duidelijker en eenduidiger fysiologische veranderingen gevonden (Wallace
1987).
Alerte Rust - Spontane Adempauzes
Farrow en Hebert (1982) hebben het verschijnsel van adempauzes
tijdens de TM-techniek meer in detail onderzocht. In 4 onafhankelijke experimenten
werd de frequentie van het voorkomen van adempauzes gemeten (experiment 1),
werden de adempauzes onder optimale, non-invasieve onderzoeksomstandigheden
gemeten (experiment 2), werd de mogelijke relatie van de adempauzes met de
ervaring van transcendent bewustzijn onderzocht (experiment 3) en werd in
experiment 4 een case-study uitgevoerd bij een meer gevorderde mediterende.
In experiment 1 werden 95 proefpersonen gemeten voor, tijdens
en na de meditatie. Het criterium voor adempauze was wanneer de registratiepen
gedurende 10 seconden of langer niet significant fluctueerde. Elf van de
proefpersonen in dit experiment hadden in totaal 151 adempauzes die aan de
criteria voldeden.
In experiment 2 werden 28 meer gevorderde mediterenden gemeten
en vergeleken met 23 controlepersonen. Geen van de proefpersonen werd verteld
dat het doel van de studie het meten van adempauzes was. Tijdens de meetperiode
van 30 minuten hadden 21 van de 28 mediterenden in totaal 116 adempauzes,
terwijl 9 van de 23 controlepersonen in totaal 14 adempauzes lieten zien.
De frequentie, alsmede de gemiddelde, maximale en totale duur van de adempauzes
waren bij de TM-groep aanmerkelijk en significant groter dan bij de controlegroep.
Experiment 3 werd ontworpen om te testen of er een relatie
bestond tussen de periodes van adempauze en de ervaring van zuiver bewustzijn
of transcendent Zijn. Deze ervaring wordt beschreven als een toestand van
complete geestelijke kalmte waarin gedachten afwezig zijn, terwijl toch helder
bewustzijn aanwezig blijft. Alle proefpersonen hadden deelgenomen aan cursussen
opgezet om de ervaring in de meditatie te verdiepen en uit te breiden. Alle
proefpersonen meldden frequente en langer durende ervaringen van transcendent
bewustzijn. De proefpersonen kregen de instructie om na een ervaring van
zuiver bewustzijn op een knopje te drukken. De ademhaling werd gemeten met
een niet-storende techniek. Acht van de elf proefpersonen vertoonden 57 perioden
van adempauze. Van de 84 druksignalen op de knop werden er 36 geregistreerd
binnen 10 seconden na het eind van een van deze adempauzes. De kans dat deze
signalen random verdeeld zouden zijn is kleiner dan 10-10. Met andere woorden,
de temporele verdeling van deze signalen was significant gerelateerd aan
de verdeling van de adempauzes (figuur 4).
Belangrijke vragen bij dit experiment zijn of de adem opzettelijk
werd ingehouden of niet, en of ze werkelijk een verminderde metabole behoefte
aan zuurstof reflecteren. Betreffende de eerste vraag: Alle proefpersonen
waren blind ten opzichte van het doel van het onderzoek. Om te bepalen of
de adempauzes opzettelijk geinduceerd waren, werd de compensatoire hyperventilatie
na het opzettelijk inhouden van de adem geanalyseerd en vergeleken met de
ademactiviteit na adempauzes tijdens de TM-techniek. Bij opzettelijk adem
inhouden was de compensatoire verhoging van het ademminuutvolume 2,71 liter
per minuut, terwijl bij de TM-proefpersonen een niet-significante verhoging
van 0,57 liter per minuut werd vastgesteld.
In de case-study in experiment 4 werden buiten respiratoire
parameters ook elektrofysiologische parameters gemeten, waarbij tijdens de
adempauzes duidelijke EEG-veranderingen werden vastgesteld. Dit wordt verder
besproken onder het hoofdstukje EEG.
Verandering in de ademregulering of geringere zuurstofbehoefte?
Wolkove (1984) vergeleek 16 TM-beoefenaars met 16 controlepersonen,
betreffende de parameters ademminuutvolume, adempatroon en respons op toediening
van CO2. Het ademminuutvolume verminderde bij de mediterenden significant.
Bovendien werden bij 2 mediterenden frequente perioden van adempauzes vastgesteld.
Er was bij de TM-groep tijdens de meditatie een significant verminderde respiratoire
respons na toediening van extra CO2 in de ingeademde lucht. Dit suggereert
een verminderde gevoeligheid voor een verhoogde CO2-concentratie.
Mogelijk wordt het veranderde adempatroon dus niet veroorzaakt
door verminderde metabole behoeften, maar door een verandering van de neurofysiologische
mechanismen van de regulatie van de ademhaling.
De studie van Kesterson (1986) gaat dieper op deze vraag in.
Hij onderzocht drie categorieen mediterende proefpersonen, ingedeeld naargelang
hun adempatroon. De eerste groep vertoonde geen veranderingen in de ademfrequentie
tijdens de meditatie, de tweede groep een grote daling, de derde groep duidelijke,
frequente perioden van adempauzes. Deze laatste groep werd uitgebreider onderzocht.
Net als in de studie van Wolkove vertoonden deze proefpersonen een verminderde
gevoeligheid voor een verhoogd-CO2 gehalte en een verhoogde gevoeligheid
voor lagere O2 niveau's. Bij bijna alle proefpersonen daalde het respiratoire
quotient en de alveolaire ventilatie verminderde meer dan het zuurstofverbruik.
In eerdere studie's bleef het respiratoire quotient gelijk, wat gezien werd
als argument dat er niet gemanipuleerd werd. De schrijver legt dit echter
uit als teken van inhibitie van hersenstam-centra voor respiratoire controle
en milde hypoventilatie en meldt dat deze constellatie van veranderingen
precies zo voorkomt bij de overgangstoestanden tussen REM-slaap, diepe slaap
en waakbewustzijn. Hij betoogt dat deze veranderingen in adempatroon kunnen
wijzen op een gelijkstelling van deze drie overgangstoestanden tot een enkelvoudige
toestand van bewustzijn. De proefpersonen die de grootste veranderingen in
adempatroon vertoonden, meldden de beste ervaringen van transcendent bewustzijn
en waren het meest alert.
Om een adequate beschrijving en interpretatie te geven van
wat er gebeurt tijdens de TM-techniek (namelijk het ervaren van alerte rust)
is de zuurstofconsumptie dus niet zo'n goede parameter. Een betere parameter
is het adempatroon, met name wanneer dit wordt gekoppeld aan andere fysiologische
parameters, zoals EEG-coherentie en biochemische veranderingen.
Grotere bloeddoorstroming van de hersenen
Een groep onderzoekers aan de universiteit van Californie
vond een aantal ongewone, intrigerende biochemische en vasculaire veranderingen.
De veranderingen in adempatroon en de EEG-veranderingen brachten
hen ertoe om te kijken of ook de bloedcirculatie veranderde. Via de methode
van clearance van bepaalde radio-isotopen werd de bloeddoorstroming van lever
en nier gemeten, samen met de arteriele lactaatspiegel en het hartminuutvolume.
De bloedtoevoer naar lever en nieren daalde duidelijk, terwijl toch de cardiac
output steeg (Jevning 1978a). De vraag na deze studie was nu: waar blijft
het overgebleven bloed? In eerdere studies (Levander 1972) werd een kleine,
maar significante stijging van de doorbloeding van de onderarm gemeten. Deze
stijging was echter niet voldoende om de stijging in cardiac output volledig
te verklaren. Daarom werd verondersteld dat de bloedtoevoer naar de huid
of de hersenen verhoogd zou moeten zijn tijdens TM. Het bleek inderdaad dat
de bloedtoevoer naar de hersenen verhoogd was: met een non-invasieve meettechniek
(reoencephalografie) werd bij 10 proefpersonen tijdens de meditatie een gemiddelde
toename van 65% van de bloedtoevoer naar de frontale hersenkwabben gemeten
(Jevning 1978b).
Zelfs de niet geinnerveerde rode bloedcel vertraagt zijn
stofwisseling.
Dezelfde groep heeft de stofwisselingsveranderingen nog gedetailleerder
bestudeerd en wel aan de hand van het metabolisme in de onderarm en in de
erythrocyt. De stofwisseling van de onderarmspieren werd berekend uit de
waarden van de zuurstof- en CO2-spiegels bij TM-proefpersonen tijdens TM,
en bij controle personen tijdens rust. Bij de TM-groep was dit verschil significant
gedaald in vergelijking met de controlegroep: de onderarmspieren produceerden
dus minder CO2, hetgeen wijst op diepere rust in deze spieren (Wilson '87).
Daarnaast vonden Jevning en Wilson (1983)in een studie van 32 normaal gezonde
proefpersonen, dat het metabolisme van rode bloedcellen, gemeten aan de produktie
van lactaat tijdens beoefening van TM significant lager was dan tijdens rust
met gesloten ogen. Ook de snelheid van de glycolyse was gedaald. Via EEG
en EOG werd gekeken of de proefpersonen sliepen, en tevens werd de huidweerstand
gemeten. Het optreden van slaap was niet gecorreleerd met de waargenomen
metabole veranderingen. Dit was een heel ongewone bevinding, want normaal
gesproken is het stofwisselingsniveau van de erythrocyt onafhankelijk van
een 24-uursritme, van slaap, en van de functie van het zenuwstelsel. De schrijvers
geven als mogelijke verklaring een onbekende humorale factor in het bloed
die de stofwisseling op deze manier beinvloedde (Jevning 1983).
Wanneer deze gegevens tezamen genomen worden, dan moeten we
wel concluderen dat er tijdens de meditatie inderdaad een fysiologisch aantoonbare
andere evenwichtstoestand wordt bereikt. In het nu volgende gedeelte zal verder
worden ingegaan op de effecten die de meditatie heeft op het functioneren
van lichaam en geest buiten de meditatie.
Hormonen: het omgekeerde van stress?
Bij 30 studenten werd door Jevning (1978) het cortisol- en
testosterongehalte in het bloed gemeten. Bij acute en chronische stress is
de testosteronspiegel gewoonlijk verlaagd en de cortisolspiegel verhoogd.
Beide hormonen worden door de bijnierschors afgescheiden. De proefpersonen
werden ingedeeld in een gevorderde TM-groep (n=15) en een controlegroep die
voor het eerst begint met TM-beoefening (n=15). De controlepersonen werden
gemeten voor en na de instructie in de TM-techniek. Wegens het 24-uursritme
van cortisol werden alle metingen te verricht tussen 12 en 4 uur 's middags.
Om de eventuele invloed van slaap te kunnen bepalen werden EEG en EOG gemeten.
De bloedafnames waren zo min mogelijk verstorend voor de proefpersonen (canule).
Bij de TM-groep werd tijdens de meditatie een daling van de cortisolspiegel
gemeten van 27% in vergelijking met de waarden voorafgaand aan de meditatie.
De groepen verschilden niet in uitgangswaarden. De daling van de cortisolspiegel
tijdens de meditatie was significant verschillend van de (gelijkblijvende)
waarden gemeten tijdens de rust van de controlegroep. De testosteronspiegels
waren stabiel tijdens alle metingen, bij alle drie de experimentele groepen.
De veranderingen in cortisol waren niet gecorreleerd met het optreden van
slaap. Deze studie geeft aan dat de TM-techniek een toestand teweegbrengt
die tegengesteld is aan die tijdens acute of chronische stress (figuur 5).
Een studie gedaan door Bujatti (1976), in Oostenrijk, geeft
een vergelijkbare trend aan: de hoeveelheid 5-HIAA (5-hydroxyindol-3-azijnzuur),
een stofwisselingsprodukt van serotonine, was duidelijk verhoogd in urinemonsters
van 11 TM-proefpersonen, vergeleken met 13 controlepersonen van overeenkomstige
leeftijd en geslacht. Ook in deze studie werd gecorrigeerd voor het 24-uursritme
en voor dieet. Serotonine wordt beschouwd als een "rust en tevredenheidshormoon".
De schrijvers zien de rusttoestand die samengaat met een verhoogd serotonine
als schijnbaar tegengesteld aan de "stressreactie", maar aangezien een uitgerust
organisme beter op stress kan reageren, is het volgens hun eerder een verschijnsel
dat synergistisch is aan de stressreactie.
Stress, angst en Vietnamveteranen
De fysiologische veranderingen tijdens de TM-techniek suggereren
dat men door meditatie beter met stress kan omgaan. Een parameter die samengaat
met het al dan niet goed kunnen verwerken van stress is "trait anxiety".
Deze term duidt een algemene tendens aan om angstig te zijn, in tegenstelling
tot "state anxiety", dat de mate van angst aangeeft op een bepaald moment.
Kenneth Eppley (1989) heeft de effecten van verschillende methoden op trait
anxiety gedegen onderzocht en met behulp van een meta-analyse de effectgrootte
berekend. Zijn studie omvatte 35 studies naar TM, 30 naar progressieve relaxatie,
12 naar de techniek van Benson (een zgn. afgeleide techniek van TM), 6 naar
concentratie, 8 naar het gebruik van Sanskriet mantra's, 15 naar EMG-biofeedback
en 8 studies naar placebotechnieken. De meeste technieken produceerden gelijke
effectgroottes, alleen hadden concentratie-technieken een significant kleiner
effect en transcendente meditatie een significant groter effect dan de andere
technieken (p < 0,005, zie figuur 6). Voor vele variabelen werd de samenhang
met de effectgrootte berekend: onder andere voor populatie, leeftijd, geslacht,
onderzoeksopzet en -duur en aantal behandeluren, de attitude van de onderzoeker,
type publicatie en hoeveelheid dropouts. Correctie voor factoren die een objectieve
uitkomst kunnen storen (confounding variables), veranderde de eindconclusie
niet, ook wanneer alleen de studies met de beste interne validiteit werden
opgenomen. In dit laatste geval was de effectgrootte voor de TM-techniek
in feite zelfs iets groter. Wanneer die studies werden uitgesloten die gedaan
waren door pro-TM onderzoekers, dan was de berekende effectgrootte van TM
nog 20% groter.
Een onderzoek gedaan door de psychiater James Brooks evalueert
het effect van TM op dieper liggende stress: achttien Vietnam-oorlogsveteranen
met post-traumatic-stress-disorder (PTSD) kregen random de TM-techniek,
of psychotherapie als behandeling. Ze werden onderzocht voor de behandeling
cq. TM-cursus en drie maanden na begin van de behandeling . Er waren geen
dropouts. Omdat de onderzoekers het niet ethisch vonden om mensen in een
crisis die hulp zochten drie maanden te laten wachten op behandeling was
er geen controlegroep zonder behandeling. In de test na drie maanden was
een grote verscheidenheid van verbeteringen in de TM-groep te zien: vermindering
van parameters als angst, emotionele verdoofdheid, depressie, alcoholgebruik,
slapeloosheid en familieproblemen. Tussen de twee groepen was aanvankelijk
geen significant verschil in beroepsstatus, maar de TM-groep vertoonde hierin
een verbetering van pre-test tot post-test. De psychotherapiegroep liet op
geen enkele parameter een verandering zien (Brooks 1986).
Verslavingszorg en rehabilitatie
In een review-artikel van 24 onderzoeken naar het effect van
de TM-techniek bij de toepassing in de verslavingszorg kon een gunstig effect
vastgesteld worden bij alle onderzoeken, waaronder 3 met een longitudinale,
random assignment-opzet (Gelderloos et al. 1991). In een retrospectief onderzoek
bij 259 gevangen in Californie werd een vermindering van recidiverend crimineel
gedrag vastgesteld (Bleick en Abrams, 1987)
Uit deze studies blijkt dat niet alleen tijdens de meditatie
stress wordt bestreden, maar dat ook daarbuiten het vermogen om met stress
om te gaan duidelijk en diepgaand verbetert.
Daling van vrije radikalenbelasting
Bij acute en chronische stress wordt de stofwisseling meer
belast en worden meer vrije radicalen geproduceerd. Vrije radicalen zijn
een bijprodukt van de normale O2-stofwisseling. Zij kunnen op moleculeair
niveau blijvende schade veroorzaken wanneer de herstelmechanismen van het
lichaam de aangerichte schade niet aankunnen (Sharma 1993c). De gevolgen
hiervan zijn veroudering en degeneratie ziekten, waaronder atherosclerose,
cataract, kanker. Wanneer de stofwisseling minder door stress belast wordt,
is het te verwachten dat er 1) minder vrije radikalen worden geproduceerd
en 2) verbeteringen te zien zijn in de algehele gezondheid en 3) remming
van het verouderingsproces optreedt.
Dr. Sharma, hoogleraar in de pathologie aan de Ohio State
University, USA, heeft bloedmonsters van mediterenden onderzocht op lipid-peroxiden.
Lipid-peroxiden spiegels in plasma worden gezien als een maat voor de algemene
vrije radikalen-activiteit in het lichaam. Vergeleken met niet-mediterende
controlepersonen, was het niveau van lipid-peroxiden in de leeftijdsgroep
van 60-69 jaar 14,5% lager en in de categorie 70-79 jaar 16,5% lager (Sharma
1993c, pp.187,188).
Een theorie over veroudering stelt dat het herstelmechanisme
van het lichaam onvoldoende functioneert, waardoor fouten in de stofwisseling
en in het DNA kunnen optreden. Sharma heeft dit fenomeen nader onderzocht.
In vitro werd het herstelmechanisme gemeten van bestraalde lymfocyten. Het
DNA van menselijke lymfocyten herstelde zich in vijf uur voor 80% en niet
verder, bij lymfocyten van mensen die TM beoefenden was dit na zes uur 100%
(Sharma 1986).
Daling van biologische leeftijd
Wallace (1982) deed een direct onderzoek naar veroudering
bij 84 proefpersonen tussen 40 en 64 jaar (gemiddeld 53 jaar) met behulp
van de Morgan Adult Growth Examination. Dit is een standaardtest voor de biologische
leeftijd, waarbij de bloeddruk, de gehoordrempel en het nabijzien worden
gemeten. Deze parameters hebben alle de neiging om te stijgen met de leeftijd,
en door combinatie van deze factoren kan een maat voor de biologische leeftijd
worden verkregen (Morgan 1972). Proefpersonen die langer dan vijf jaar de
TM-techniek beoefenden hadden een gemiddelde biologische leeftijd die significant
lager was dan bij kort-mediterenden en lager dan de norm voor de bevolking.
Deze lang-mediterenden waren biologisch gemiddeld twaalf jaar jonger dan
hun kalenderleeftijd; voor TM-beoefenaars met minder dan vijf jaar TM-ervaring
bedroeg dit verschil gemiddeld vijf jaar. Er bestond een correlatie tussen
de duur van de TM-beoefening en de mate van "verjonging".
DHEAS-hormoon
Een hormoon dat mogelijk gerelateerd is aan veroudering is
dehydro-epiandrosteronsulfaat (DHEAS). Het wordt geproduceerd in de bijnierschors.
De biologische functie ervan staat nog niet precies vast. Wel is aangetoond
dat een laag DHEAS-gehalte bij vrouwen samenhangt met een hogere incidentie
van borstkanker en dat toediening van het hormoon aan proefdieren een aantal
ziekten die samenhangen met hoge leeftijd verbetert: vetzucht, suikerziekte,
kanker en autoimmuunziekten. Bij mensen is de DHEAS-spiegel rond het 25e
levensjaar het hoogst waarna het geleidelijk daalt tot het tussen het 70e
en 90e jaar nog slechts 20% van de oorspronkelijke waarde heeft. Verminderde
hormoonsecretie op hogere leeftijd kan te maken hebben met dedifferentiatie
van de producerende cellen, mogelijk veroorzaakt door vrije-radicalenschade.
Glaser vergeleek de DHEAS spiegels in het bloed van 423 TM-beoefenaars met
1.253 gezonde mensen die niet mediteerden. De leeftijd varieerde van 20 tot
81 jaar. Bij mediterenden boven de 45 jaar bleek de DHEAS-spiegel significant
hoger dan bij vergelijkbare controlepersonen en overeen te komen met een
biologische leeftijd die 5 tot 10 jaar onder hun kalenderleeftijd lag. Het
verschil was 23% voor mannen en 47% voor vrouwen. Dit effect was onafhankelijk
van dieet, lichaamsbeweging, vetzucht of alcoholgebruik (Glaser 1987).
Verlenging van de levensduur
Door de Harvard Universiteit werd een onderzoek gedaan in
bejaardenhuizen bij 73 bejaarden met een gemiddelde leeftijd van 80,7 jaar,
waarbij TM aselect werd vergeleken met twee andere geestelijke groeitechnieken
(een om de geest te activeren en een om de geest te ontspannen) en een controlegroep.
Het onderzoek was er speciaal op gericht om alle variabelen die het resultaat
aspecifiek zouden kunnen beïnvloeden constant te houden. Zo waren de tijd
die aan de techniek werd besteed, de verwachting die werd gewekt, de hoeveelheid
tijd die aan de instructie van de mensen werd besteed, zelfs het enthousiasme
van de leraren gestandaardiseerd. Er werd een serie psychologische tests afgenomen
door "geblindeerde" assistenten voor- en na drie maanden beoefening van de
mentale technieken. Bij de natest was de TM-groep significant beter dan de
andere groepen op de associatief-lerenschaal van een dementie-screeningtest
en op een test die de rigiditeit van gedrag mat. Op een andere rigiditeitstest
bleek een trend in positieve richting (Stroop kleur/woord-interferentietest).
Het bleek dat de TM-groep zich significant beter voelde en meer geïnteresseerd
was tijdens beoefening van de techniek en zich direct na afloop daarvan beter
en meer ontspannen voelde. Significant meer TM-beoefenaars vonden hun techniek
waardevol. Verpleegkundigen die niet op de hoogte waren wie welke techniek
beoefende, maten voor en na drie maanden de systolische bloeddruk en gaven
na 18 maanden een oordeel over de geestelijke gezondheid van de bejaarden.
De TM-groep verbeterde significant meer in bloeddruk en geestelijke gezondheid.
De ultieme test is de overlevingsduur; deze werd na drie jaar bekeken (figuur
7). De TM'ers waren allen nog in leven, terwijl in de andere groepen het
overlevingspercentage varieerde van 65 tot 87,5% en het voor de overige bewoners
van dezelfde bejaardentehuizen 62,5% was; het verschil was zeer significant
(Alexander 1989).
Naar het effect van de TM-techniek op stress en hieraan gerelateerde
pathologie is veel meer onderzoek gedaan dan in het kader van dit artikel
besproken kan worden. Voor meer referenties zij verwezen naar het artikel
van Segaar in 1991 in dit blad en naar Orme Johnson (1977).
Zelf actualisatie, een maat voor geestelijke gezondheid
Bovengenoemde onderzoeken laten zien dat stress en gerelateerde
pathologie door TM gereduceerd kunnen worden. Maar gezondheid is meer dan
alleen afwezigheid van ziekte. Hoe is gezondheid te meten? Een maat voor
de geestelijke gezondheid stamt uit de humanistische psychologie en wordt
"zelf-actualisatie" genoemd. Maslow, een bekend humanistisch psycholoog,
onderzocht de psychologie van de gezonde mens. Als belangrijke kenmerken
vond hij: verhoogde acceptatie van zichzelf, anderen en de natuur, meer spontaniteit,
superieure waarneming van de werkelijkheid en sterk verhoogde creativiteit.
Bovendien minimale aanwezigheid van psychopathologie en bevrediging van "deficientie-behoeften",
kameraadschap en waardering. (Maslow in Alexander et. al. 1991). Van speciaal
belang waren voor Maslow "piek ervaringen". Deze kwamen onder zijn meer gevorderde
proefpersonen vrij algemeen voor. Hij noemde ze piekervaringen, omdat ze
algemeen gewaardeerd worden als momenten van hoge verheffing en diepe inspiratie,
duidelijk apart van het gewone leven. Later beschreef hij een langer durende
toestand van deze transcendente ervaringen als "plateau-ervaring". Of er
een causale relatie bestaat tussen deze ervaringen en gezondheid, of dat ze
alleen voorkomen bij reeds gezonde mensen, is moeilijk vast te stellen, omdat
er alleen correlatie-studies beschikbaar zijn. Maslow vermoedde dat een causale
relatie mogelijk is, daar spontane piek-ervaringen ook af en toe voorkomen
bij mensen die nog psychopathologische klachten hebben. De na-effecten ervan
zijn gunstig: de mensen voelen zich meer volwassen, zekerder en meer geintegreerd.
Maslow introduceerde vele karakteristieke beschrijvingen van de term transcendentie.
Alle hebben betrekking op het gaan voorbij een toestand van verdeeldheid,
naar een toestand van meer onderliggende heelheid of eenheid. Volgens de
vedische psychologie is herhaalde ervaring van transcendent bewustzijn de
basis voor een gezonder functioneren (Maharishi 1963). Of transcendente ervaringen
een bevorderende factor zijn voor psychologische gezondheid en zelfactualisatie,
wordt duidelijk door een meta-analyse van alle bestaande studies naar het
effect van diverse vormen van meditatie of ontspanning op zelfactualisatie
van Alexander (et al. 1991) in het Journal of Social Behaviour and Personality.
In totaal werden 42 studies onderzocht. De effect-grootte van TM op algehele
zelfactualisatie (0,78) was ongeveer drie maal zo groot als die van andere
vormen van meditatie (0,26) en ontspanning (0,27), wanneer werd gecorrigeerd
voor duur van behandeling en de kracht van de opzet van het experiment (figuur
8). Wanneer de herhaalde ervaring van transcendentie de sleutel is tot zelf-actualisatie,
dan zou men een cumulatief effect verwachten, naarmate de duur van de interventie-periode
langer is. Dit bleek inderdaad het geval te zijn: in studies waar de proefpersonen
langer TM beoefenden was er een grotere effectgrootte.
EEG-coherentie
Coherentie (samenhang) op het electro-encephalogram is een
maat voor functionele orde tussen hersendelen op enige afstand van elkaar.
Hierbij wordt met behulp van computeranalyse berekend of de hersengolven
van verschillende meetpunten op de schedel synchroon verlopen. Meer poetisch
beschreven: als in een orkest alle muzikanten door elkaar spelen, ontstaat
een incoherent geheel van geluidsgolven. Maar wanneer ze alle hun aandacht
bij de dirigent hebben, ontstaat er samenhang en schoonheid.
Farrow en Hebert (zie boven) vonden in hun vierde experiment
dat perioden van transcendent bewustzijn, naast de al beschreven adempauze,
ook gekenmerkt werden door een coherentie van meer dan 95% in de alpha- en
beta-frequenties. Levine (1976) onderzocht de EEG's van 28 proefpersonen,
21 mediterenden en 7 niet TM'ers. Bij mediterenden met langere ervaring werd
meer coherentie gevonden dan bij mediterenden met kortere ervaring. Bij rusten
met de ogen dicht werd bij niet mediterenden geen coherentie gevonden. Orme-Johnson
(1981) legde in een studie bij 22 TM-leraren een verband tussen de helderheid
van de ervaring van transcendent bewustzijn en creativiteit (gemeten door
de Torrance Test of Creative Thinking) en het optreden van coherentie op het
EEG. De groep die heldere ervaringen van transcendent bewustzijn rapporteerde
had een significant hogere coherentie in de alpha-frequentie en significant
betere scores op de creativiteitstest dan de groep met niet-heldere ervaringen.
Nidich (1983) onderzocht het verband tussen EEG-coherentie
en Kohlbergs test voor moreel redeneren bij 53 studenten. Kohlberg schrijft
dat vragen zoals "Waarom moreel zijn?" niet te beantwoorden zijn op puur
logische of rationele gronden. Bij oplossingen voor dit soort vragen zijn
ervaringen betrokken van niet-dualistische aard, van deel zijn van het geheel
van het leven en het verkrijgen van een kosmisch- in tegenstelling tot een
humanistisch- perspectief. Aangezien EEG-coherentie reeds geassocieerd was
met onbegrensd bewustzijn werd de hypothese gesteld dat studenten die "kosmisch
georienteerd" waren een hogere alfa-EEG-coherentie vertoonden dan "niet-kosmisch
georienteerde respondenten". Bij analyse van metingen tijdens de TM-techniek
bleek dat de kosmisch georienteerde groep inderdaad statistisch significant
meer frontale alfa-coherentie vertoonde dan de niet kosmisch-georienteerde
groep. Mogelijk zou dit gegeven louter het intellectuele vermogen van de
studenten reflecteren om de theoretische lessen over dit onderwerp te reproduceren.
Wanneer echter gecorrigeerd werd met behulp van multipele regressie-analyse,
voor hun cijfers op de pas afgeronde lessen "human development" als controle-variabele,
dan bleek de alfa-coherentie nog steeds een sterke onafhankelijke variabele
te zijn.
Wat is bewustzijn?
Bovengenoemde studies suggereren dat tijdens en na de TM-techniek
de hersenen meer samenhangend, ordelijk en harmonisch functioneren. Waar
komt deze samenhang vandaan? Iets dat samenhang creeert moet tegelijkertijd
in contact zijn met alle delen en met het geheel van het systeem. Bewustzijn
in zijn minst geexciteerde vorm is mogelijk de oorzaak van de samenhang die
in het individuele "systeem" waargenomen wordt (Domash 1977).
EEG-coherentie tussen proefpersonen: een veldeffect
Wanneer het individuele bewustzijn een aspect is van een meer
universeel "veld", zoals in de introductie als hypothese werd opgeworpen,
dan zou het ordescheppend effect van het proces van trancendentie ook buiten
de grenzen van het individuele systeem merkbaar kunnen zijn. Deze gedachte
was de achtergrond van de volgende studie van Orme Johnson. In augustus
1979 vond in Amerika te Amherst een bijeenkomst plaats, waarin 2500 studenten
gezamenlijk een gevorderd TM- programma, het TM-sidhiprogramma beoefenden.
Het TM-Sidhiprogramma is afgeleid van de Yoga Sutra's van Patanjali, een
deel van de Vedische literatuur over bewustzijnsontwikkeling door yoga en
meditatie. Het kan geleerd worden na een paar maanden regelmatige beoefening
van de TM-techniek en traint de fysiologie om transcendent bewustzijn te
handhaven samen met waken, dromen en slapen. Dit programma heeft een sterkere
uitwerking dan de TM-techniek alleen. Wanneer bewustzijn een doordringend
veld is, dan lijkt het mogelijk om ook op afstand enig effect hiervan te
meten. Een poging hiertoe werd ondernomen in het EEG-lab in Fairfield, Iowa,
1170 mijl verwijderd van de cursuslokatie. Aangezien het EEG gevoelig is
voor veranderingen in bewustzijn, werd als parameter de EEG-coherentie tussen
verschillende mensen genomen. De experimentele vraag was of de gezamenlijke
meditatie van de 2500 mensen op de cursus in Amherst de EEG-coherentie tussen
de drie verschillende mensen in Fairfield zou verhogen. De drie in Fairfield
mediteerden voor- en tijdens de groepsbeoefening in Amherst. De periode direct
voor de groepsbeoefening was de baseline periode, waarmee de experimentele
periode tijdens de groepsbeoefening werd vergeleken. In de week na de cursus,
werd nog eens op zes verschillende dagen de coherentie tussen de proefpersonen
gemeten, volgens dezelfde procedure als tijdens de experimentele dagen. Tijdens
de baseline periode was de coherentie tussen de proefpersonen in het algemeen
laag: tussen 0,35 en 0,4 (1,0 is de maximale coherentie). Tijdens de experimentele
periode steeg de coherentie tussen de proefpersonen inderdaad en wel significant
meer dan tijdens de controledagen, met name in de alfa- en beta-frequenties.
Volgens de schrijvers (Orme-Johnson et al. 1982) ondersteunt
deze bevinding de hypothese dat het coherent functioneren van de hersenen
als een quantummechanisch veldeffect werkt. Verder geven ze de mogelijkheid
aan dat technieken die kennelijk coherentie tussen individuen kunnen scheppen,
zelfs al zijn die ver verwijderd, van nut kunnen zijn bij het oplossen van
internationale conflicten en sociale onrust. De volgende studie, gepubliceerd
in het Journal of Crime and Justice, gaat over dit thema.
Eenprocentseffect: Daling van criminaliteit
Dillbeck (1981) bestudeerde 48 steden in de Verenigde Staten
over een periode van 5 jaar. In 24 steden, waar in 1972 1% van de bewoners
de TM-techniek beoefende, werd in 1973 een onmiddelijke daling in de misdaadcijfers
waargenomen, die zich in de follow up periode van 5 jaar bleef voortzetten.
Deze steden werden vergeleken met 24 controlesteden, gematched naar geografisch
gebied, populatie en 'college population' (=aantal studenten). Wanneer gecorrigeerd
werd voor mogelijke andere oorzaken van verminderde misdaad (bevolkingsdichtheid,
werkeloosheidscijfers, inkomen, gemiddelde duur van de opleiding en percentage
bewoners in de leeftijd van 15 - 29 jaar), dan bleef dit effect statistisch
significant (figuur 9).
Volgens een review-artikel van meer dan 25 wetenschappelijke
studies naar het effect vsan het TM-sidhiprogramma kan al bij een aantal
beoefenaars van de vierkantswortel van 1% van de populatie een effect van
dit programma op de omgeving gemeten worden (Orme- Johnson et al. 1987b).
onconventioneel
In een artikel van Orme Johnson in het Journal of Conflict
Resolution van december 1988, wordt statistisch bewijs geclaimd voor de conflict
reducerende werking van gezamenlijke meditatie in Jeruzalem op een gewelddadig
conflict in Libanon. Wanneer de "Overall Composite Index of Quality of Life",
gebaseerd op rapporten van de media over dagelijkse misdaad, ongelukken,
branden etc., grafisch weergegeven werd samen met de aantallen mediterenden
in Jerusalem, dan werd een statistische samenhang vastgesteld tussen deze
twee variabelen (zie figuur 10). Dit artikel heeft in dit blad een uitgebreide
wetenschappelijke discussie op gang gebracht over dit interessante, maar
onconventionele onderwerp (Orme-Johnson et al. 1990).
De sociologische en psychologische aspecten die ter sprake
kwamen in genoemde discussie en onderzoek zijn verder uitgewerkt in het boek
"Bewustzijn als Bewapening" (Ransijn 1982), waarin de lezer aan de hand van
gedegen documentatie een kijkje achter de schermen van het wereldgebeuren
gegeven wordt.
Dit alles overziend kunnen we stellen dat er voldoende gegevens
zijn die de beide hypothesen die we in het begin van dit hoofdstuk noemden,
ondersteunen. Er zijn onweerlegbaar fysiologische tekenen van transcendente
ervaringen en er zijn tal van aanwijzingen dat het ervaren van deze toestand
van volkomen evenwicht het evenwicht in lichaam en geest beinvloed, wat een
aanwijsbaar beter functioneren van lichaam en geest met zich meebrengt en
uitzicht biedt op een betere gezondheid en een langer leven.
Daling van de kosten van de gezondheidszorg
De laatste 10 jaar zijn er verschillende onderzoeken uitgevoerd
naar Maharishi Ayurveda en ziektekosten, waaronder een in Nederland. Uit
gegevens van een ziektekostenverzekeringsmaatschappij in de Verenigde Staten
waar TM-beoefenaars een groepsverzekering hadden afgesloten, bleek dat beoefening
van de Transcendente Meditatietechniek leidde tot een belangrijke vermindering
van het gebruik van de gezondheidszorg-voorzieningen (Orme-Johnson 1987).
De vermindering is het meest uitgesproken voor de oudere bevolkingsgroepen:
TM-beoefenaars van boven de veertig jaar bleken 73,7% minder vaak naar de
dokter te gaan en 68,4% minder vaak in het ziekenhuis te liggen, vergeleken
met veertigplussers uit de gemiddelde bevolking (figuur 11). Voor de jongere
leeftijdsgroepen was dit verschil ongeveer 50%. Dit onderzoek beschikte over
gegevens van enkele duizenden TM-beoefenaars en besloeg een periode van vijf
jaar. De gegevens werden gecontroleerd voor leeftijd, geslacht en socio-economische
omstandigheden. De verschillen golden voor alle ziektecategorieën met uitzondering
van bevallingen, o.a. voor tumoren (55,4% minder), hart- en vaatziekten (87,3%
minder), darm-, bot- en huidziekten, long- en infectieziekten, psychiatrische
en neurologische ziekten (de laatste 87,3% minder). In totaal waren de kosten
in vijf jaar per 1000 verzekerden ruim 600.000 dollar lager.
Een mogelijke kritiek op deze studie is dat deze mensen al
zeer gezond waren voordat ze met TM begonnen. Gegevens hierover waren bij
de verzekeringsmaatschappij niet voorhanden. Echter in een studie van gezondheidskosten
in Canada kon Robert Herron de gegevens opsporen van mediterenden, van jaren
voordat ze met TM begonnen (Herron 1992, PH-D-thesis), daar Canada een nationale
ziekteverzekering heeft, van de wieg tot het graf. Voordat de mensen met
TM begonnen, waren de ziektekosten gemiddeld hetzelfde als voor anderen in
dezelfde leeftijdsgroep. Na begin met de TM-techniek begonnen de ziektekosten
te dalen met gemiddeld 10% per jaar. De kostenreductie was het meest uitgesproken
in de groep die tevoren het meeste gebruik maakte van gezondheidszorgvoorzieningen:
namelijk 18% binnen 1 jaar en 54% in 3 jaar. Onder de ouderen was, net als
in de studie van Orme-Johnson, de reductie iets groter: 19% in 1 jaar en 57%
in 3 jaar (gecorrigeerd voor de inflatie).
Kostenbesparing in Nederland
De onderlinge verzekeringsgroep Geove biedt sinds 1989 aan
TM-mediterenden een korting aan van 10-15% ten opzichte van het landelijk
gemiddelde en vergoedt de consultkosten van de arts voor Maharishi Ayurveda
en een lijst van curatief gebruikte Ayurvedische kruidenpreparaten. De eerste
statistische gegevens werden op een symposium over Maharishi Ayurveda en
kostenbesparing in de gezondheidszorg in Duitsland gepresenteerd. Van 1-1-1992
tot 31-12-1992 had de MAV-groep (van 1.230 personen) 16,2 % minder kosten
voor ambulante consulten aan de arts dan de controlegroep (28.820 personen)(figuur
12). Bij de intramurale zorg waren de totale kosten voor chirurgie, gynaecologie,
orthopedie, anaesthesie en de restcategorie 42,8% minder dan bij de controlegroep.
Hoewel de kosten voor Maharishi Ayurveda kruidenpreparaten, acupunctuur,
homeopathie, chiropraxie, neuraaltherapie en andere alternatieve behandelmethoden
hoger waren dan bij de controlegroep, waren de totale kosten toch 10,4% lager
dan in de controlegroep (Kegel 1993). Als vergelijk met de bovengenoemde
studies zou het interessant zijn om de gegevens verder uit te werken, bijvoorbeeld
uitsplitsing naar leeftijd en duur van de beoefening van de TM-techniek.
Dit maakt het tevens mogelijk om meer precieze uitspraken te doen over de
oorzaak van de gevonden kostenreductie.
Kostenreductie bij toepassing van meerdere invalshoeken
van Maharishi Ayurveda
Bij een populatie rond de Maharishi Internationale Universiteit
(MIU) in Fairfield-Iowa, USA, werd het effect van het gecombineerde gebruik
van verschillende benaderingen van Maharishi Ayurveda op de gezondheidszorgconsumptie
onderzocht. Deze universiteit leidt op voor in Amerika erkende diplomas en
heeft aan het onderwijsprogramma het TM-programma toegevoegd plus theoretische
kennis over TM en Ayurveda. Het personeel en de leerkrachten van deze universiteit
beoefenen alle TM en zijn ook in de gelegenheid om regelmatig een panchakarmakuur
te doen en om Amrit Kalash en/of andere kruidenpreparaten te nemen. De MIU-groep
werd over een periode van 7 jaar vergeleken met andere inwoners van Iowa
die bij dezelfde verzekeringsmaatschappij verzekerd waren. De MIU-groep had
86% minder ziekenhuisopnamen voor chirurgie of interne ziekten. De cijfers
voor bevallingen waren ongeveer gelijk voor de twee groepen. Om de vergelijking
nog duidelijker te krijgen, werd de experimentele groep gematched met de
leerkrachten en personeel van 18 andere colleges van steden in Iowa voor
de parameters leeftijd, geslacht, ras, onderwijsniveau, beroep en andere relevante
variabelen. In totaal waren in deze vergelijking meer dan 5000 mensen betrokken.
Het resultaat was min of meer identiek: de MIU-groep had 82% minder ziektekosten
(Orme-Johnson 1993).
Samenvatting en discussie
Er zijn in totaal meer dan 400 wetenschappelijke studie's
gedaan naar Maharishi Ayurveda. In dit artikel is geprobeerd om een relevant
overzicht te geven, met een zo goed mogelijke weergave van de gebruikte methoden.
Het heeft niet de pretentie om compleet te zijn. In het algemeen kunnen we
stellen dat de kennis uit de klassieke teksten van de Maharishi Ayurveda
de test van wetenschappelijke verificatie totnutoe goed doorstaan heeft.
Het onderzoek naar het revitaliserende preparaat "Amrit Kalash"
is veelbelovend: in verschillende goed opgezette onderzoeken wordt een versterkende
werking op het immuunsysteem gevonden, alsmede een sterk reducerende werking
op vrije radikalen en de gevolgen daarvan: kanker, atherosclerose en veroudering.
Het onderzoek naar de kruidenpreparaten voor specifieke aandoeningen
geeft een bescheiden positieve werking aan. Meer en grondiger opgezet onderzoek
daarnaar is nodig. Kruidenpreparaten vormen slechts een aspect van de gehele
therapie. De werking ervan kan pas ten volle tot zijn recht komen, als ook
dieet en leefwijze in acht genomen worden. Bij de opzet en evaluatie van
onderzoek moet hiermee rekening gehouden worden.
De 6 besproken onderzoeken naar de panchakarma-reinigingsbehandelingen,
die alle gedegen waren opgezet, tonen een gunstige werking aan op biologische
leeftijd, geestelijk welzijn en risicofactoren voor aandoeningen van hart
en bloedvaten. In in vitro studies werd een remming gevonden op 2 soorten
kankercellen: melanoom en colon adenocarcinoom.
De uitkomsten van de onderzoeken naar de TM-techniek tonen
een herstel van gezondheid en evenwicht aan op vele verschillende gebieden:
ontspanning, reductie van stressgerelateerde aandoeningen, verbetering van
chronische ziekten, zelfverwerkelijking, verjonging, een aanmerkelijke reductie
van gebruik van gezondheidszorg-voorzieningen, tot 50% toe en zelfs sociologische
gezondheid: reductie van internationale conflicten.
Er is natuurlijk de mogelijkheid van publicatiebias: het niet
publiceren van onderzoeken met een negatieve uitkomst. Gezien de uitkomsten
van het onderzoek dat gedaan is met zeer gedegen methoden lijkt het echter
niet waarschijnlijk dat wanneer gecorrigeerd zou worden voor publicatiebias
dit de conclusies fundamenteel zou veranderen.
Wanneer een nieuwe ontdekking indruist tegen het gangbare
paradigma, roept hij weerstanden op bij mensen die bouwen op gevestigde
ideeen. Van Marconi bijvoorbeeld, de uitvinder van de draadloze telegrafie,
dacht men nadat hij zijn uitvinding bekend gaf dat hij niet goed wijs was.
En de ontdekker van de haarvaatjes, Malphigi, kreeg als dank hiervoor van
zijn collega's een flink pak slaag. Ook Harvey, de ontdekker van de pompwerking
van het hart, kreeg allerlei merkwaardige kritiek. Een soortgelijk effect
treedt ook op bij alternatieve geneeswijzen daar ze ingaan tegen de gevestigde
ideeen (Menges, 1995). Toch wordt door velen onderkend dat een verandering
van denkwijze juist nodig is om uit de impasse te komen waarin de gezondheidszorg
op dit moment geraakt is. In de Nota 2000 wordt deze impasse-situatie omschreven
als de "afnemende meeropbrengst": iedere verdere investering in middelen
in het zorgaanbod wel enig effect zal hebben, maar dit staat steeds minder
in relatie tot de geinvesteerde middelen. Als oorzaak wordt aangegeven de
ontwikkeling in de richting van specialisatie en van technische hulpmiddelen.
Er wordt daarom gepleit voor een ander beleid (Nota 2000 in het kort, p.
11). Maharishi Ayurveda werkt gezondheidsbevorderend, is gebaseerd op eeuwenoude
kennis en geverifieerd door moderne wetenschappelijke methoden. De mogelijkheid
dat dit systeem een bijdrage kan leveren aan de oplossing van dit probleem
is zeker het onderzoeken waard.
Literatuurlijst
Alexander, C.N., Gelderloos, P. and Rainforth, M.V. (1991). Transcendental Meditation, self-actualization, and psychological health: a conceptual overview and statistical meta-analysis. Journal of Social Behavior and Personality. Vol 6, No. 5, 189-247.
Alexander, C.N., Langer, E.J., Davies, J.L., Chandler, H.M. and Newman, R.l. (1989). Transcendental Meditation, mindfulness, and longevity: An experimental study with the elderly. Journal of Personality and Social Psychology, 57, (6), 950-964.
Badawi, K., Wallace, R.K., Orme-Johnson, D.W. and Rouzere, A.M. (1984). Electrophysiologic characteristics of respiratory suspension periods occurring during the practice of the Transcendental Meditation program. Psychosomatic Medicine, 46, (3), 267-276.
Benson H. and Wallace, R.K. (1972). Decreased blood pressure in hypertensive subjects who practiced meditation. Circulation, 45, Supplement II: 516.
Benson H. and Wallace, R.K. (1972). Decreased drug abuse with Transcendental Meditation: A study of 1862 subjects. In: C.J.D. Zarafonetis (eds). Drug Abuse: Proceedings of the International Conference, 369376. Philadelphia: Lea and Febinger.
Bhishagratna, K.L., (1981) Susruta Samhita, English Translation, third edition, Chowkhamba Sanskrit Series, Varanasi, India, 1981
Blackwell, B., Hanenson, I.B., Bloomfield, S.S., Magenheim, H.G., Nidich, S.l. and Gartside, P. (1975). Effects of Transcendental Meditation on blood pressure: a controlled pilot experiment. Psychosomalic Medicine, 37, (I), 86.
Blasdell, K.S., Sharma, H.M., Tomlinson, P.F. and Wallace, R.K. (1991). Subjective survey, blood chemistry and complete blood profile of subjects taking Maharishi Amrit Kalash. Federation of American Societies of Experimental Biology: 75th Annual Meeting, April 21-25, Antlanta, Georgia, U.S.A. Abstracts, part II, nr. 5489.
Bleick, C.R. and Abrams, A.l. (1987). The Transcendental Meditation program and criminal recidivism in California. Journal of Criminal Justice, 15, 211-230.
Brooks, J.S. and Scarano, T. (1986). Transcendental Meditation in the treatment of post-Vietnam adjustment. Journal of Counseling and Development, 64, 212-215.
Bujatti, M. and Riederer, P. ( 1976). Serotonin, noradrenaline, dopamine metabolites in Transcendental Meditation. Journal of Neural Transmission, 39, 257-267.
Capra, F., (1987) Totaliteit en Gezondheid, Nederlands Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde 4 (19) 1987, 204/214
Capra, F., (1991) The Tao of Physics: An Explanation of the Parallels Between Modern Physics and Eastern Mysticism (Shambala, Boston, 1991)
Chandler, H.M., Glaser, J.L., Orme-Johnson, D.W. and Dillbeck, M.C. (1987). Improvements in memory, intelligence, psychomotor speed and alertness in normal subjects from an ayurvedic medicinal herbal-based rejuvenal therapy. Study presented at the 28th Annual Meeting of the Society of Economic Botany. June, 23, Chicago, Illinois, U.S.A.
Chopra, D. (1989). Quantum Healing Exploring the frontiers of mind-body medicine. New York: Bantam Books.
Cooper, M. and Aygen, M. (1978). Effect of meditation on serum cholesterol and blood pressure. Harefuah, Journal of the Israel Medical Association, 95, 1-2.
Cooper, M. and Aygen M. (1979). Transcendental Meditation in the management of hypercholesterolaemia. Journal of Human Stress, 5, 24-27.
Corey, P.W., (1973) Airway conductance and oxigen consumption changes associated with practice of the transcendental meditation technique. University of Colorado Medical Center, Denver, Colorado, USA.
Dileepan, K.N., Patel, V., Sharma, H.M. and Stechschulte, D.J. (1990). Priming of splenic Iymphocytes after ingestion of an ayurvedic herbal food supplement: Evidence for an immunomodulatory effect. Biochemical Archives, 6, 267-274.
Dillbeck, M.C. (1977). The effect of the Transcendental Meditation technique on anxiety level. Journal of Clinical Psychology, 33, 1076-1078.
Dillbeck, M.C., Banus, C.B., Polanzi, C. and Landrith, G.S. (1989). Test of a field model of consciousness and social change: Transcendental Meditation and TM-Sidhi program and decreased urban crime. The Journal of Mind ad Behavior, 9, (4), 457-486.
Dillbeck, M.C., Cavanaugh, K.L., Glenn, T., (Orme-Johnson, D.W. and Mittlefeldt, V. (1987). Effects of the Transcendental Meditation and the TM-Sidhi program on quality of life indicators: Consciousness as a field. The Journal of Mind and Behavior, 8, 67-104.
Dillbeck, M.C., Landrith G. and Orme-Johnson, D.W. (1981). The Transcendental Meditation program and crime rate change in a sample of forty-eight cities. Journal of Crime and Justice, 4, 2545.
Dillbeck, M.C. and Orme-Johnson, D.W. (1987). Physiological differences between Transcendental Meditation and rest. American Psychologist, 42, 879-881.
Domash,L. H. The Transcendental Meditation Technique and quantum physics: Is pure consciousness a macroscopic quantum state of the brain? In D.W. Orme-Johnson and J.T. Farrow, eds. Scientific research on the Transcendental Meditation Programme: Collected Papers Volume 1. Rheinweiler, W. Germany: MERU press, 1977.
Dwivedi C., Satter, B.C. and Sharma, H.M. (1988). Anticarcinogenic activity of an ayurvedic food supplement, Maharishi Amrit Kalash (MAK). American Physiological Society/American Society for Pharmacology and Experimental Therapeutics. Conference abstract nr. 86.1. October 9-13, Montreal, Canada.
Dwivedi, C., Sharma, H.M., Dobrowski, S. and Engineer, F.N. (1991). Inhibitory effects of Maharishi-4 and Maharishi-5 on microsomal lipid peroxidation. Pharmacology Biochemistry & Behavior 39, 649-652.
Dwivedi, S., Chansoria, J.P.N., Somani, P.N., Udupa, K.N. Effect of Terminalia Arjuna on ischemic heart disease. Alternative Medicine, Vol. 3. No. 2, pp. 115-122 (1989)
Ellmannn, W., 1989: Behandlung von Rheuma und Migrane mit Maharishi Ayur-Veda in der taglichen Praxis. Vortrag Medizinische Woche, Baden-Baden, 10/89.
Engineer, F. N., Sharma, H. M., Dwivedi, C., Protective effects of M-4 and M-5 on adriamycin-induced microsomal lipid peroxidation and mortality. Biochemical Archives, Vol. 8, pp. 267-272, 1992, USA
Eppley, K., Abrams, A and Shear, J. (1989). Differential effects of relaxation techniques on trait anxiety: A meta-analysis. Journal of Clinical Psychology, 45, 957-974.
Farrow, J.T. and Herbert, J.R. (1982). Breath suspension during the Transcendental Meditation technique. Psychosomatic Medicine, 44, (2), 133-153.
Fields, J.Z., Rawal, P.A., Hagen, J.F., Todd, I., Wallace, R.K., Tomlinson, P.F. and Schneider, R.H. (1990a) Oxygen free radical scavenger effects of an anti-carcinogenic natural product, Maharishi Amrit Kalash (MAK). Conference proceedings of the American Society for Pharmacology and Expenmental Therapeutics Milwaukee, WI., U.S.A.
Finck C.E. and Hayflick L., eds., Handbook of the Biology of Aging, New York: Van Nostrand Reinhold, 1977,
Gallois, P. (1984). Modifications neurophysiologiques et respiratoires lors de la pratique des techniques de relaxation. L' Encephale, 10, 139-144.
Garnier, D., Cazabat, A., Thebault, P. and Gauge, Ph. (1984). Pulmonary ventilation during the Transcendental Meditation technique: Applications in preventive medicine. Est-Medicine, 4, (76), 867-870.
Gelderloos, P., Ahlström, H.H.B., Orme-Johnson, D.W., Robinson, D.K., Wallace, R.K. and Glaser, J.L. (1990). Influence of a Maharishi Ayur-Vedic herbal preparation on age-related visual discrimination. International Journal of Psychosomatics 37, 25-29.
Gelderloos, P., Frid, M.J., Goddard, P.H., Xue, X. and Löliger, S.A. (1988). Creating world peace through the collective practice of the Maharishi Technology of the Unified Field: improved US-Soviet relations. Social Science Perspectives Journal, 2, (4), 80-94.
Gelderloos, P., Walton, K.G., Orme-Johnson, D.W. and Alexander, C.N. (1991). Effectiveness of the Transcendental Meditation program in preventing and treating substance misuse: A review. International Journal of the Addictions, 26, (3), 293-325.
Glaser, J.L., Brind, J., Eisner, M., Dillbeck, M.C., Vogelman, J. and Wallace, R.K. (1987). Elevated serum dehydroepiandrosterone-sulfate levels in older practitioners of the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program. AGE, 10, (4), 160.
Glaser, J.L., Maharishi Ayurveda: an introduction to recent research. Modern Science and Vedic Science, Vol.2 No.1 1988.
Glaser, J.L. MD and Tomlinson, P., MA (1991). Correlation of subjective preferences, cognitive styles and behaviour with physiognomy according to the principles of Maharishi Ayurveda tridosha theorie. In: Scientific proceedings of the American Association of Ayurvedic Medicine June 8-9, 1991 San Diego, California.
Hanissian, S.H., Sharma, H.M. and Tejwani, G.A. (1988). Effects of Maharishi Amrit Kalash (MAK) on brain opioid receptors. Federation of American Societies of Experimental Biology, abstracts 2, (4), 802.
Hanna, A.N., Kauffman, E.M., Newman, H.A.I., and Sharma, H.M., Prevention of oxidant stress by Students Rasayana (SR) presented at the international Symposium on Free Radicals in Diagnostic Medicine, Buffalo, NY, October 7-9, 1993
Herron, R.E.,1993: The impact of Transcendental Meditation practice on medical expenditures. Dissertation Abstracts Intern. 53(11):4219A.
Janssen, G.W.H.M. (1989). De Maharishi Ayur-Veda behandeling van tien chronische ziekten: Een voorstudie (The Maharishi Ayur-Veda treatment of ten chronic diseases: A pilot study). Nederlands Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde 5, (35), 586-594.
Jevning, R., Pirkle, H.C. and Wilson, A.F. (1977). Behavioral alteration of plasma phenylalanine concentration. Physiology and Behavior, 19, 611-614.
Jevning, R., Wells, I., Wilson, A.F. and Guich, S. (1987). Plasma thyroid horrnones, thyroid stimulating hormone, and insulin during acute hypometabolic state in man. Psychology and Behavior, 40, 603-606.
Jevning, R., Wilson, A.F. and Davidson, J.M. (1978). Adrenocortical activity during meditation. Hormones and Behavior, 10, (1), 54-60.
Jevning, R. Wilson, A.F., O'Halloran, J.P. and Walsh, R.N. (1983). Forearm blood flow and metabolism during stylized and unstylized states of decreased activation. American Journal of Physiology, 245, (Regulatory Integrative Comp. Physiol. 14), Rl IO-RI 16.
Jevning, R. Wilson, A.F., Pirkle, H., Guich, S. and Walsh, R.N. (1985). Modulation of red cell metabolism by states of decreased activation: comparison between states. Physiology and Behavior, 35, 679-682.
Jevning, R. Wilson, A.F., Pirkle, H., O'Halloran, J.P. and Walsh, R.N. (1983). Metabolic control in a state of decreased activation: modulation of red cell metabolism. American Journal of Physiology, 245, (Cell Physiol. 14), C457-C461.
Jevning, R., Wilson, A.F. and Smith, W.R. (1978). The Transcendental Meditation technique, adrenocortical activity, and implications for stress. Experientia, 34, 618-619.
Jevning, R., Wilson, A.F., Smith, W.R. and Morton, M.E. (1978). Redistribution of blood flow in acute hypometabolic behavior. American Journal of Physiology, 235, (1), R89-R92.
Jevning, R, Wilson, A.F. (1978b) Behavioural increases in cerebral blood flow. The Physiologist 21 (4): 60. (abstract)
Jevning, R., Wilson, A.F. and VanderLaan, E.F. (1978). Plasma prolactin and growth hormone during meditation. Psychosomatic Medicine, 40, (4), 329-333.
Kazanchian, A., Sarnvelian, V., Zakharian, R. and Davis, L. (1991). Inotropic effects of Maharishi Amrit Kalash. Study presented at the Eighth Congress of the European Society of Cardiology. August 18-22, Amsterdam, The Netherlands.
Kegel, H., (1993): Das Kostensparkonzept einer Hollandischen Krankenversicherung. Vortrag auf dem 1. Symposium "Kostendampfung im Gesundheits-wesen durch das vorbeugeorientierte Gesundheitssystem des Maharishi Ayur-Veda", Bad Ems, BRD, november 1993
Lee, J. Y., Biochemical Changes induced by Maharishi Amrit Kalash (MAK-4) and MA-208 in diet-induced hypercholesterolemic rabbits,; Presented at the International Symposium on Free Radicals in Diagnostic Medicine, Buffalo, NY, October 7-9, 1993
Levander, V.L., Benson, H., Wheeler, R.C., Wallace, R.K., (1972) Increased forearm blood flow during a wakeful hypometabolic state. Federation Proceedings 31: 405. (Abstract)
Levine, P.H., The coherence spectral array (COSPAR) and its application to the study of spatial ordering in the EEG. Proc. San Diego Biomed Symp 15:237-247, 1976
Maharishi Mahesh Yogi. (1963) The Science of Being and the Art of Living. New York: New American Library.
Menges, Louwrens, "Ketters in de geneeskunde" in Care 28, februari 1995 pp. 42-43.
Nidich, S.I., Ryncarz, R.A., Abrams, A.l., Orme-Johnson, D.W. and Wallace, R.K. (1983). Kohlbergian moral perspective responses, EEG coherence, and the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program. Joumal of Moral Education, 12, (3), 166-173.
Morgan, R.F. en Stevens, S.K. (1972), Reliability of the adult growth examination: A standardized test of individual aging. Perceptual and Motor Skills 34, 415.
Niwa, Dr. Y. en M. Hanssen, Protection for life, Thorsons Publishers Ltd, Wellingborough (1989a), Northamptonshire NN8 2 RQ, England, ISBN 0-7225-2197-9.
Niwa, Y. (1989b). Prevention of ageing: The importance of super oxide dismutase functioning and marked antioxidant activity demonstrated in Maharishi Amrit Kalash. Study presented at the International Symposium on Reversing The Ageing Process: Neuroimmunological and neurobiological mechanisms September 9, Utrecht, The Netherlands.
Niwa, Y, MD, (1989c) Variety of oxydative disorders induced by oxygen radicals in modern polluted environments and marked anti-oxidant activity demonstrated in Maharishi Amrit Kalash, Paper presented at the Soviet Academy of Science, Moscow, sept. 11, 1989 and the National Institute of Health, Bethesda, MD, sept. 18, 1989.
Niwa, Y. (1991). Effect of Maharishi-4 and Maharishi-5 on inflammatory mediators with special reference to their free radical scavenging effect. Indian Journal of Clinical Practice, 1, (8), 23-27.
Orme-Johnson, D.W., Farrow, J.T., (editors) Scientific research on the Transcendental Meditation Program, collected papers, Vol. 1, MERU-press, 1977.
Orme-Johnson D.W. (1987). Medical care utilization and the Transcendental Meditation program. Psychosomatic Medicine, 49, 493-507.
Orme-Johnson D.W. and Dillbeck, M., (1987b) Maharishi's Program to Create World Peace: Theory and Research. in "Modern Science and Vedic Science" Vol.1. No.2 pp.207-259.
Orme-Johnson, D.W., Vegors, S.,1988: Medical care utilization at Maharishi International University. Abstract insert in Journal of the Iowa Academy of Science 95(1):A56
Orme-Johnson, D.W., Alexander, C.N. and Davies, J.L. (1990). The effects of the Maharishi Technology of the Unified Field -reply to a methodological critique. Journal of Conflict Resolution, 34, (4), 756-868.
Orme-Johnson, D.W., Alexander, C.N., Davies, J.L., Chandler, H.M. and Larimore, W.E. (1988). International peace project in the Middle East: the effects of the Maharishi Technology of the Unified Field. Journal of Conflict Resolution, 32, (4), 776-812.
Orme-Johnson, D.W., Dillbeck, M.C., Wallace, R.K. and Landrith, G.S. (1982). Intersubject EEG coherence. Is consciousness a field? International Journal of Neuroscience, 16, 203-209.
Orme-Johnson, D.W. and Haynes, C.T. (1981). EEG phase coherence, pure consciousness, creativity, and TM-Sidhi experiences. International Journal of Neuroscience, 13, 211-217.
Orme-Johnson, D.W., (1993) presented at the Annual Conference of the American Journal of Health Promotion, Atlanta, february 22-26.
Ornish, D., et. al. Can lifestyle changes reverse coronary heart disease? Lancet, 1990,; 336: 129-33.
Pagano R.R., et. al. Sleep During Transcendental Meditation, Science, Vol. 191, (1976) pp.308-309
Panganamala, R.V. and Sharma, H.M. (1991). Anti-oxidant and antiplatelet properties of Maharishi Amrit Kalash (M-4) in hypercholesterolemic rabbits. Ninth International Symposium on Atherosclerosis of the International Atherosclerosis Society. October 6-11, Rosemont, Illinois, U. S. A. Abstracts 110-111.
Patel, V., Dileepan, K.N., Stechschulte, D.J. and Sharma, H. (1988). Enhancement of Iymphoproliferative responses by Maharishi Amrit Kalash (MAK) in rats. Federation of American Societies of Experimental Biology. Abstracts 2, (5), 4740.
Patel, V. K., Wang, J., Shen, R.N., Sharma, H.M., Brahmi, Z., reduction of metastasis of Lewis lung carcinoma by an Ayurvedic food supplement in mice. Nutrition Research, Vol. 12, pp. 51-61, 1992
Prasad, K.N., Edwards-Prasad, J., Kentroti, S., Brodie, C., Vernadakis, A., Ayurvedic (Science of Life) agents induce differentiation in murine neuroblastoma cells in culture. Neuropharmacology, Vol. 31 pp. 599-607, 1992
Ransijn, P. en Schulte, N., (1982)Bewustzijn als Bewapening- Vrede en ontwapening door groei van collectief bewustzijn. MIU-Nederland pers. Laag Soeren. ISBN 90 6269 026 2
Rasmussen, S., (1990) "The effect of Maharishi Gandharva Ved on the Brain Physiology" in press, geciteerd in Hartmann, G. "Maharishi Gandharva-Ved Die klassische Musik der Vedischen Hochkultur: Eine Einfuerung in die Musiktheoretischen Grundlagen"; mit einem Geleitwort von professor Debu Chauduri.
Salerno, J.W. and Edwards Smith, D. (1989). The use of sesame oil and other vegetable oils in the inhibition of human colon cancer growth in vitro. Study presented in part at the lowa Academy of Science Annual Meeting. April 22, Storm Lake, Iowa, U.S.A.
Salerno, J.W. and Smith, D.E., The Use of Sesame Oil and Other Vegetable Oils in the Inhibition of Human Colon Cancer Growth in vitro. Anticancer Research 11: 209-216 (1991)
Schneider, R.H., Kasture, H.S., Averbach, R., Rothenberg, S.,& Robinson, D.K., (1985, sept.) Physiological and psychological correlates of Maharishi Ayurveda psychosomatic types., Paper presented at the eight World Congress of the International College of Psychosomatic Medicine, Chicago, IL Geciteerd in Glaser (1988).
Schneider, R.H., Alexander, C.N. and Wallace, R.K. (1992). In search of an optimal behavioral treatment for hypertension: A review and focus on Transcendental Meditation. Personality, Elevated Blood Pressure, and Essential Hypertension, in press.
Schneider, R.H., Cavanaugh, K.L., Kasture, H.S., Rothenberg, S., Averbach, R., Robinson, D. and Wallace, R.K. (1990). Health promotion with a traditional system of natural health care: Maharishi Ayur-Veda. Journal of Social Behavior and Personality, 5, (3), 1-27.
Segaar, J.E.H., Relaties tussen Ayurveda en westerse geneeskunde. Lezing gehouden voor het internationaal symposium "Omkering van het verouderingsproces", neuroimmunologische en neurobiologische mechanismen, nieuwe research naar en klinische ervaring met Maharishi Ayurveda, Utrecht, 9 september 1989.
Segaar, J.E.H. en Gerritsma, G.J.C., Maharishi Ayurveda en veroudering, een overzicht van onderzoek. Nederlands Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde 7 (1991) no.6
Sharma, H.M., Stephens, R. (1986), The effect of Transcendental Meditation and the TM-Sidhiprogram on DNA repair, presented in part at the Annual Meeting of the Federation of American Societies of Experimental Biology (Abstract).
Sharma, H.M., Dwivedi, C. Satter, B.C. Gudehithlu, H.A., Malarkey, W. and Tejwani, G.A. (1990a). Antineoplastic properties of Maharishi-4 against DMBA-induced mammary tumors in rats. Pharmacology, Biochemistry and Behavior, 35, 767-773.
Sharma, HM, et al,(1990d) Effect of Maharishi Amrit Kalash (MAK) on Depression and Substance P, presented at the Annual Meeting of American Association of Ayurvedic Medicine, 1990.
Sharma, H.M., Triguna, B.D. and Chopra, D. (1991a). Maharishi Ayur-Veda: modern insights into ancient medicine. Journal of the American Medical Assocition, 265, (20), 263 3 -263 7.
Sharma, H.M., Engineer, F.N. and Dwivedi, C. (1992). Effects of M-4 and M-5 on adriamycin-induced lipid peroxidation in vitro. Federation of American Societies of Experimental Biology. Abstracts 6, (4), nr. 2354.
Sharma, H.M., Hanna, A.N., Kauffman, E.M. and Newman, H.A.I.
Inhibition of Human Low-Density Lipoprotein Oxidation In Vitro
by Maharishi Ayurveda Herbal Mixtures. Pharmacology, Biochemistry and Behaviour,
Vol. 43, pp. 1175-1182, 1992
Sharma, H. M., Nidich, S. I., Sands, D., and Smith, D.E.; Improvement in Cardiovascular Risk Factors through Panchakarma Purification Procedures. The Journal of Research and Education in Indian Medicine, Vol. XII, Oct.- Dec. 1993b ISSN 0970-7700
Sharma, H.M., (1993c), Freedom from Disease, Veda Publishing,
Toronto, ISBN 1-895958-00-8
Sharma, R.K., (1976) Caraka Samhita , vertaling: Sharma,
RK en Bhagwan Dash, Chowkhamba Sanskrit Series Office, Varanasi -221001,
India, 1976
Sharma, P.V., (1981) Samhita, deel1, vertaling Sharma, P.V. Chauwkhamba Orientalia Varanasi India.
Sharma, P.V., (1983) Characa Samhita, deel2, vertaling Sharma, P.V. Chauwkhamba Orientalia Varanasi India.
Sircar A.R., Ahuja R.C., Natu S.M., Roy B., Sharma H.M.,(1992) Antidiabetic and general effects of Herbal Drug Glucomap (MA-471) Medical College of Lucknow, India (unpublished)
Smith, D.E. and Salerno, J.W., Selective Growth Inhibition of a Human Malignant Melanoma Cell Line by Sesame Oil in Vitro. Prostaglandins Leukotrienes and Essential Fatty Acids (1992) 46, 145-150
Stephens R.E., Sharma H.M., Kauffman E.M. and Dudek A.
(1992). Effect of different sounds on growth of human cancer cell lines in
vitro. Federation of American Societies of Experimental Biology 6, (5): A1934
(abstract)
Stryker,T.MD, Wallace K. PhD, Reduction in biological age
through an Ayurvedic treatment program, Presented to the International Congress
of Psychosomatic Medicine, Chicago, Illinois, USA, 5 september 1985.
Taub, E. (1991). Comprehensive progress report from the Rehabilitation Center for Alcoholics, Occoquan, Virginia. Reported in P. Gelderloos, K.G. Walton D.W. Orrne-Johnson and C.N. Alexander. Effectiveness of the Transcendental Meditation program in preventing and treating substance misuse: A review. International Journal of the Addictions, 26, (3), 293-325.
Thyagarajan S.P. Subramanian S. Thirunalasundari T., Venkateswaran P.S. Blumberg B.S. Effect of Phyllantus Amarus on Chronic Carriers of Hepatitis B Virus The Lancet, october 1, 1988
Tomlinson, P.F. and Wallace, R.K. (1991). Superoxide scavenging
of two natural products: Maharishi-4 (M4) and Maharishi 5 (M-S). Federation
of American Societies of Experimental Biology: 75th Annual Meeting, April
21-25, Antlanta, Georgia, U.S.A. Abstracts, part II, nr. 5301.
Vats, S. R. et. al., (1993) a clinical study of tab. asthomap in tamak-svas (bronchial asthma) department of Kaya Chikitsa, S.K. Govt. Ayurvedic College Kurukshetra, India (unpublished)
Waldschutz, R. (1988). Veranderungen physiologischer und psychischer Parameter durch eine ayurvedische Reinigungskur. Erfahrungsheilkunde - Acta Medica Empirica - Zeitschrift fur die arztliche Praxis 2, 720-729
Wallace, R.K., Benson, H. and Wilson, A.F. (1971). A wakeful hypometabolic physiologic state. American Journal of Physiology, 221, 795-799.
Wallace, R.K., Dillbeck, M.C., Jacobe, E. and Harrington, B. (1982). The effects of the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program on the aging process. International Journal of Neuroscience, 16, 53-58.
Wallace, R.K., Mills, P.J., Orme-Johnson, D.W., Dillbeck, M.C. and Jacobe, E. (1983). Modification of the paired H-reflex through the Transcendental Meditation and TM-Sidhi program. Experimental Neurology, 79, 77-86.
Wallace, R.K., The Physiology of Conciousness, MIU-press Fairfield IA, USA, 1993, ISBN 0-923569-02-2.
Wilson, A.F., Jevning, R. and Guich, S. (1987). Marked reduction of forearm carbon dioxide production during states of decreased metabolism. Physiology and Behavior, 41, 347-352.
Wolkove, N., Kreisman, H., Darragh, D., Cohen, C. and Frank,
H. (1984). Effect of Transcendental Meditation on breathing and respiratory
control. Journal of Applied Physiology: Respiratory, Environmental and Exercise
Physiology, 56, (3), 607-612.